Jagers-verzamelaars langs de Waldwei. Een archeologisch onderzoek van een vindplaats uit het Mesolithicum, het Midden-Neolithicum en de Late IJzertijd/Romeinse Tijd bij Hempens, gemeente Leeuwarden (Fr.)
收藏DataCite Commons2025-06-13 更新2025-06-14 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-zmr-kykg
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In het kader van de verbreding van de Rijksweg N31 tussen Leeuwarden en Drachten zal ter hoogte van Hempens een aquaduct worden gerealiseerd. Door RAAP Archeologisch Adviesbureau zijn drie op elkaar volgende onderzoeken uitgevoerd op deze locatie (Asmussen 1999, Asmussen 2000, Exaltus 2001b). Tijdens deze onderzoeken werd een noord-zuid geori¨enteerde dekzandrug met bewoningsresten uit de steentijd vastgesteld op een diepte van ongeveer 2,5 m onder het maaiveld. Aangezien door de aanleg van een tunnelbak voor het geplande aquaduct de ondergrond tot op grote diepte wordt verstoord en daarmee de archeologische resten worden vernietigd, was het noodzakelijk om deze vindplaats door middel van een opgraving te onderzoeken.Conclusie:1 Waaruit bestaan de archeologische resten?Per bewoningsfase zijn de volgende archeologische resten aangetroffen: Het vondstmateriaal uit de mesolithische bewoningsfase betreft hoofdzakelijk vuursteen. Verder is er natuursteen gevonden, houtskool en een geringe hoeveelheid verkoolde hazelnootdoppen. Ook zijn er enkele fragmentjes verbrand bot gevonden. Grondsporen behorende bij deze periode zijn 49 diepe haardkuilen. Er zijn ruim 41.000 stuks vuursteen aangetroffen, zowel in de vondstlaag als in de haardkuilen. Hiervan zijn 1.153 werktuigen, de rest is afval van vuursteenbewerking. Bij de werktuigen wordt het grootste aandeel ingenomen door schrabbers en spitsen. Verder zijn er stekers, boren en afgeknotte klingen. De producten van vuursteenbewerking betreffen kernen, kernpreparatiestukken en splinters. De klingen en afslagen kunnen als halffabricaten worden beschouwd. Een aanzienlijke deel van het materiaal vertoont sporen van verbranding. Het natuursteen betreft klopstenen, kookstenen en aambeelden. Opmerkelijk is een cluster afslagen van natuursteen in de noordwesthoek van het opgegraven gebied. De faunaresten waren te sterk gefragmenteerd om op diersoort te kunnen worden gedetermineerd. In de basis van het veen en de top van het onderliggende zand zijn resten uit het Neolithicum aangetroffen. Deze resten bestaan uit vuursteen, enkele aardewerkfragmenten, verbrande botsplinters en houtskool. Er zijn twee oppervlaktehaarden aanwezig, deze liggen in het zuidwesten van de vindplaats. Het vuursteen betreft twee transversale spitsen, een vijftal bladspitsen en een afslag van een geslepen bijl. Op basis van de ligging in het veen kan ook een mes tot deze periode worden gerekend. Schrabbers met oppervlakteretouche zouden uit deze periode kunnen stammen. Twee klopstenen in werkput 15 behoren eveneens bij deze bewoningsfase. Het aardewerk bestaat uit een paar fragmenten trechterbekeraardewerk en een aantal kleine, niet nader determineerbare stukjes. De aangetroffen scherven zijn klein en onversierd. Van de faunaresten kon slechts één stukje worden gedetermineerd als schaap/geit. De vondsten uit de IJzertijd/Romeinse Tijd betreffen handgevormd aardewerk en faunaresten. Het aardewerk omvat rand- en wandscherven waarvan een aantal versiering vertoont. De faunaresten betreffen enkele fragmenten van rund, en de schedel van een hond. De grondsporen uit deze periode zijn sloten en kuilen.2 Wat is de typochronologie van de mobilia?De mesolithische vuurstenen artefacten bestaan uit verschillende typen spitsen, waaronder trapezia, A- en C-spitsen. Helaas bestaat er geen betrouwbare typochronologische indeling voor het Mesolithicum (Peeters & Niekus 2005, p. 220–222). Er zijn echter wel enkele trends gedurende deze periode aan te wijzen. De C-spitsen komen voornamelijk in het Midden-Mesolithicum voor. Trapezia komen hoofdzakelijk voor in het Laat-Mesolithicum, maar lopen door tot in het Vroeg-Neolithicum. Binnen het vuursteenspectrum blijken dus twee fasen van het Mesolithicum aanwezig te zijn. Onder het vuursteenmateriaal uit de neolithische bewoningsfase bevinden zich twee transversale pijlpunten. Schrabbers met oppervlakteretouche zouden ook uit het Neolithicum kunnen stammen. Een afslag van een geslepen bijl is eveneens afkomstig uit deze periode. Enkele bladspitsen stammen eveneens uit deze periode, maar kunnen ook dateren in de Vroege Bronstijd. Een dergelijke jonge datering lijkt hier echter niet waarschijnlijk. De schaarse aardewerkfragmenten die in het veen en op de zandrug zijn gevonden, behoren tot de middenneolithische trechterbekercultuur. Ze zijn niet nader in te delen, omdat het ongedecoreerde fragmentjes betreft waaraan geen potvorm kan worden ontleend. Het aardewerk uit de jongste bewoningsperiode betreft handgevormd terpaardewerk, meestal onversierd. Het aardewerk kan in Taayke’s typen G4, G5, G6 en V3 ingedeeld worden en stamt uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd.3 Wat is de ouderdom van de gevonden resten?Op basis van een reeks 14C-dateringen van haardkuilen omvat de mesolithische bewoning in ieder geval de periode tussen 7989 en 7545 BP, de gecalibreerde dateringen liggen tussen 7050 en 6250 v. Chr. Deze periode omvat het Midden-Mesolithicum en een deel van het Laat-Mesolithicum. Ook uit de analyse van het vuursteenmateriaal blijkt dat er een lange bewoningsperiode is geweest in het Mesolithicum. De neolithische bewoningsfase is op basis van twee 14C-dateringen te plaatsen in het Midden-Neolithicum, rond 4000 BP, de gecalibreerde ouderdom ligt tussen 3340 en 2900 v. Chr.De transversaalspitsen hebben eveneens een middenneolithische ouderdom. Het trechterbekeraardewerk moet tussen 3400 en 2750 v. Chr. worden geplaatst. De vondsten van het bovenste bewoningsniveau stammen uit de Late IJzertijd/Romeinse Tijd. Op basis van aardewerktypologie is dit nader te preciseren tot de periode van de 2e eeuw v. Chr. tot de 3e eeuw n. Chr., waarbij de nadruk ligt op de eerste drie eeuwen n. Chr. 4 Wat is de stratigrafie en bodemontwikkeling ter plaatse?Centraal binnen het onderzoeksgebied ligt een noordwest-zuidoost georiënteerde zandrug. Deze zandrug ligt op keileem, dat tijdens het Saale-glaciaal is afgezet. Op de hogere delen van de zandrug heeft zich tijdens het eerste deel van het Holoceen een podzol gevormd. Opvallend is de dikke A-horizont, deze is waarschijnlijk door opstuiving en betreding door de mens zo dik geworden. Door vernatting van het gebied is deze zandrug vanaf ongeveer 5000 BP bedekt geraakt met veen. Uiteindelijk is het hele gebied overdekt door een dik veenpakket. Vanuit het veen is de top van het zand flink doorworteld. Tussen 4300 en 3400 BP vinden er twee transgressies plaats, waardoor er kleilaagjes in het veen zijn afgezet. Vanaf 2650 BP is er een zware kleilaag afgezet op het veen, deze reikt tot aan het maaiveld. 5 Hoeveel bewonings/gebruiksfasen zijn er te onderscheiden? Zoals gezegd zijn er in hoofdzaak drie bewoningsfasen te onderscheiden: Midden- en Laat-Mesolithicum, Midden-Neolithicum en Late IJzertijd/Romeinse Tijd. Binnen de oudste bewoningsperiode, die het hoofdbestanddeel vormt van het onderzoek, zal sprake zijn van verschillende gebruiksfasen. De bewoning in deze periode omspant een periode van ongeveer 800 jaar. Binnen deze periode zal de zandrug diverse malen door groepen jagers/verzamelaars zijn bezocht. Ook zullen er (lange?) periodes zijn geweest waarin de zandrug niet bezocht werd. De verschillende vondstconcentraties die binnen het opgegraven gebied zijn onderscheiden, kunnen de neerslag zijn van afzonderlijke bewoningsfasen. Uit de verspreidingsanalyse van dateerbare artefacten is echter gebleken dat vondsten uit het Middenen Laat-Mesolithicum door elkaar heen liggen. De noordelijke concentratie, cluster A, stamt mogelijk uit het Midden-Mesolithicum, de zuidelijke concentratie, cluster C mogelijk uit het Laat-Mesolithicum. De 49 haardkuilen die op de zandrug zijn aangetroffen, zouden afzonderlijke gebruiksfases kunnen weergeven. Aangezien echter niet de hele vindplaats is opgegraven, is het waarschijnlijk dat er nog meer haardkuilen aanwezig zijn. Ook kunnen er haardkuilen gelijktijdig in gebruik zijn geweest. Door de analyse van de houtskool uit de haardkuilen kan er een onderscheid worden gemaakt in de houtsoorten die als brandstof hebben gediend. Er lijken vier groepen te bestaan, die in tijd van elkaar te scheiden zijn. Hieruit kunnen ook verschillende bewoningsfases worden afgeleid. Of er binnen de middenneolithische bewoningsfase sprake is van verschillende gebruiksfasen, is echter niet uit het vondstmateriaal te herleiden. Het zou om een eenmalig bezoek, of om herhaalde bezoeken gedurende een bepaald seizoen enkele jaren achtereen kunnen gaan. 6 Welke complextypen kunnen onderscheiden worden?Tijdens het Mesolithicum is er een lange periode van gebruik geweest van de vindplaats. Op de hoogste delen van de zandrug zijn resten gevonden uit deze periode. Binnen het vuursteenmateriaal zijn drie clusters onderscheiden, A, B en C. Door overlapping en vermenging van deze clusters is het moeilijk om een uitspraak te doen over complextypen. Het zou kunnen gaan om verschillende jacht- en/of basiskampen, die misschien een langere periode achtereen seizoensmatig bewoond zijn geweest. Cluster A zou een basiskamp kunnen zijn, maar binnen dit cluster lijkt sprake te zijn van twee afzonderlijke kleine clusters. Opmerkelijk is het voorkomen van afslagen van natuursteen binnen het noordelijke cluster. Cluster B is mogelijk een basiskamp, maar de beperkte hoeveelheid werktuigen kan ook betekenen dat het een special activity area is. Cluster C bestaat uit een opeenstapeling van bewoningsresten, de mesolitische fase betreft waarschijnlijk een basiskamp. Op de zuidwestelijke flank van de zandrug, in werkput 16, lijken drie mesolithische extraction-camps te liggen. De resten uit het Neolithicum zijn waarschijnlijk te relateren aan jachtactiviteiten. Het betreft een dunne vondstspreiding, met slechts enkele grondsporen, in de vorm van oppervlaktehaarden. Dit duidt op kortstondig gebruik van de locatie, een jachtkamp, mogelijk gedurende enkele seizoenen. Het bot van schaap/geit kan wijzen op een veehoederskamp, een zomerkamp. Vermoedelijk is er een permanente nederzetting uit deze periode in de omgeving van de vindplaats aanwezig. Wat betreft de bewoning in de IJzertijd/Romeinse Tijd gaat het om de randzone van een nederzetting. De kern van deze nederzetting ligt onder en naast de Rijksweg N31.7 Wat is de omvang van de complextypen?De mesolithische bewoning bevindt zich op de hogere delen van de zandrug, maar ook op de flanken is enig materiaal aangetoffen. De omvang van het gebied waarbinnen de vondsten zich bevinden is ongeveer 330 m2. Daarbuiten zijn nog lage aantallen vondsten aangetroffen. Binnen het opgegraven gebied zijn enkele concentraties aanwijsbaar, die dicht bij elkaar liggen. Cluster A heeft een omvang van 5×5 m, er zijn echter aanwijzingen dat dit cluster uit twee afzonderlijke kleine concentraties bestaat. De noordwestelijke grens van cluster A is tijdens de opgegraving niet bereikt. Cluster B heeft een omvang van 4 m2. Cluster C heeft een omvang van 2× 5 m. Van dit cluster is alleen het noordelijke deel opgegraven. De concentratie kan zich nog één à twee meter naar het zuiden voortzetten. Omdat de clusters niet in hun geheel zijn opgegraven, is het niet mogelijk om de exacte omvang te bepalen. De neolithische bewoning heeft zich op het hogere deel van de zandrug, maar ook in het gebied ten zuiden ervan afgespeeld. In dit zuidelijke gebied gaat het om kleine vondstconcentraties met een omvang van enkele vierkante meters. De zuidwestelijke concentratie zal zich nog verder naar het noorden voortzetten, dit gebied is echter niet opgegraven. De zuidoostelijke concentratie betreft een dunne vondststrooiing waarvan de exacte omvang niet kon worden bepaald, deze kan zich buiten het opgegraven gebied voort zetten. Op de zandrug kan de omvang van de bewoning uit deze periode niet worden vastgesteld vanwege vermenging met ouder materiaal. De omvang van de bewoning in de Late IJzertijd/Romeinse Tijd is tijdens het onderzoek niet bepaald. Deze heeft zich buiten het onderzochte gebied uitgestrekt, met name aan de zuidzijde, waar de kern van de nederzetting uit deze periode heeft gelegen. 8 Zijn er binnen de complextypen structuren en activiteitsgebieden te onderscheiden?De mesolithische bewoning heeft 49 haardkuilen opgeleverd. Deze liggen dicht bij elkaar, op de hoogste delen van de zandkop. Deze haardkuilen zullen voor kookactiviteiten zijn gebruikt. Bij enkele haarden zijn kookstenen aangetroffen. Binnen de drie vuursteenclusters zijn op een aantal plaatsen aanwijzingen voor vuursteenbewerking gevonden. Afval van spitsfabricage is aangetroffen aan de oostzijde van cluster B, mogelijk vond hier ook productie van stekers plaats. Ook binnen cluster C zijn aanwijzingen voor productie en bewerking van spitsen, mogelijk aan de noord- en oostzijde. In de zuidwesthoek van cluster C zijn stekers aangetroffen, die op botbewerking wijzen. Cluster A en C worden als basiskampen beschouwd, terwijl cluster B een special activity area zou kunnen zijn. In werkput 16 is een drietal locaties aanwezig, die jachtkampjes lijken te zijn. Binnen deze locaties zijn gebieden aan te wijzen waar vuursteenbewerking heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor spitsfabricage. Ook kan er bij één van de kampjes huid- of houtbewerkingsactiviteiten worden gepostuleerd. In de zuidwestelijke vondstconcentratie uit het Neolithicum zijn twee oppervlaktehaarden aangetroffen. Bij de noordoostelijke haard heeft waarschijnlijk vuursteenbewerking plaatsgevonden, hier zijn klopstenen en kernen gevonden. De transversale spits duidt erop dat hier mogelijk een pijlpunt is vervangen, terwijl hier ook spitsfabricage heeft plaatsgevonden. Op dezelfde plaats zijn schrabbers gevonden, deze wijzen op houtbewerking of het schoonmaken van huiden. Het niveau uit de Late IJzertijd/Romeinse Tijd omvat sloten en kuilen. De sloten zullen zijn aangelegd om het gebied te ontwateren, zodat men droog kon wonen. De kuilen kunnen zijn gebruikt als afvalkuil of voorraadkuil. 9 Is de conservering van de archeologische resten voor iedere bewoningsfase gelijk?Anders dan van te voren was verwacht, zijn uit het Mesolithicum naast vuuren natuursteen alleen houtskool en enkele fragmenten van verkoolde hazelnootdoppen bewaard gebleven. De verwachting was dat door de afdekking met een dik veenpakket organische resten zoals (voorwerpen van) been en gewei en leer, in de bodem bewaard zouden zijn. De vindplaats bleek echter gedurende vele eeuwen aan het oppervlak te hebben gelegen, voordat hij door het veen werd afgedekt. Hierdoor zijn deze kwetsbare materialen in de bodem vergaan. Ook in de lager gelegen delen, voor zover deze binnen het onderzoeksterrein vielen, zijn ze niet aangetroffen. Het vuursteen uit het Mesolithicum is goed bewaard gebleven, het materiaal maakt een ‘verse’ indruk en vertoont weinig tot geen sporen van verwering. De conservering van het materiaal uit het Neolithicum is redelijk. Behalve vuursteen en enkele stukjes aardewerk, is houtskool, verbrand botmateriaal en een geringe hoeveelheid aardewerk bewaard gebleven. Net als het mesolithische materiaal is ook het neolithische vuursteen goed geconserveerd. Het voorkomen van aardewerk met een dergelijk hoge ouderdom kan worden verklaard door de goede kwaliteit van het trechterbekeraardewerk. Er is een aanzienlijke aantal fragmenten verbrand botmateriaal aangetroffen in en naast twee oppervlaktehaarden uit deze periode. Dit botmateriaal is gecalcineerd en sterk gefragmenteerd, slechts één fragmentje kon worden gedetermineerd. De conservering van het materiaal uit de Late IJzertijd/Romeinse Tijd is goed, naast aardewerk is ook dierlijk bot bewaard gebleven. Het aardewerk is goed geconserveerd, wat kan worden afgeleid uit het aantal fragmenten dat sporen van roet of aankoeksel bevat. De faunaresten zijn redelijk goed geconserveerd, het aantal resten is echter klein. De reden hiervoor zal zijn dat slechts een deel van de periferie van de nederzetting uit de Late IJzertijd/Romeinse Tijd is opgegraven.10 Is er een ruimtelijke variatie in de conservatie van de archeologische resten?Nee, tijdens het onderzoek zijn hiervoor geen aanwijzingen gevonden. 11 Wat is de relatie tussen de landschappelijke ontwikkeling en de aard van de bewoning of landgebruik op de zandrug en aangrenzende areaal?In het Mesolithicum heeft bewoning plaatsgevonden op de hogere delen van een noord-zuid geori¨enteerde zandrug. Uit het pollenonderzoek van de haardkuil blijkt dat de begroeiing in eerste instantie bestond uit bossen waarin dennen, berken en eiken voorkwamen. Binnen dit landschap zijn open plekken in het bos geweest, waar heide en grassen groeiden. Els komt voor in de nattere bossen aan de randen van de zandrug. Op de hogere delen van de zandrug is een podzol gevormd, aan de flanken ontbreekt deze. Tijdens het Mesolithicum is sprake geweest van het opstuiven van de zandrug, waardoor plaatselijk een dikke, vondstrijke laag is gevormd. Hierdoor zijn oude haardkuilen uit de Midden-Mesolithische bewoningsfase overstoven. De activiteiten in het Mesolithicum zullen te maken hebben met de jacht op specifieke dieren die in deze omgeving aanwezig waren. Hierbij kan worden gedacht aan wild, watervogels en vis. Verder kunnen er vruchten en noten zijn verzameld. Hazelnoot zal zeker in de omgeving verzameld zijn. Tussen 4900–4530±60 BP raakte de zandrug met veen bedekt. In deze periode was de vindplaats waarschijnlijk te nat om te betreden en niet of nauwelijks toegankelijk. Op de hogere delen in het landschap is vervolgens in het Midden-Neolithicum weer sprake van menselijke activiteiten. Tijdens deze gebruiksfase was er al sprake van een ca. 10 cm dikke veenlaag op de zandrug. Het gaat in deze periode om kleine jacht- of veeweiderskampementen. Vermoedelijk kwam men hier in deze periode vanuit een vaste nederzetting in de omgeving om te jagen of vee te weiden. De vegetatie in de omgeving bestaat uit een vrij gesloten loofbos met eik, linde, hazelaar, hulst en iep. In de struiklaag komen vuilboom, lijsterbes, appel en meidoorn voor. Ander karakteristieke soorten zijn klimop, maretak, hop en wilde kamperfoelie. Ook groeide er taxus. 12 Zijn er aanwijzingen voor menselijke ingrepen in de (natuurlijke) omgeving?Het onderzoek heeft geen absolute aanwijzingen opgeleverd voor menselijke ingrepen in de omgeving in het Mesolithicum. Het is in theorie mogelijk dat de mesolithische bewoners gebruik maakten van open plekken in het bos, die men zelf verder uitbreidde, om bewegingsruimte te cre¨eren op de zandrug. Uit het pollenspectrum van de mesolithische haard zou kunnen worden afgeleid dat het percentage boompollen afneemt ten opzichte van het aandeel kruiden. Dit suggereert dat er sprake is van houtkap. Het voorkomen van een verstoven zandlaag wijst op verstoring van de bodem, waardoor verstuiving kon plaatsvinden. De afslag van een geslepen bijl zou kunnen wijzen op hakwerkzaamheden in het Neolithicum, maar uit het pollenonderzoek kan dit niet worden afgeleid. Uit het pollenonderzoek blijken wel marginale aanwijzingen voor menselijk handelen in de natuurlijke omgeving, getuige de twee stuifmeelkorrels van graan en enkele onkruiden. Het pollenonderzoek heeft marginale aanwijzingen opgeleverd omtrent menselijk ingrijpen in de omgeving. Zowel de aanwezigheid van graanpollen als het spaarzame pollen van onkruiden als weegbree en brandnetel is een aanwijzing voor menselijk handelen. Op de oostelijke flank zijn pollen van braam en vlier aangetroffen, soorten die ook een indicatie voor menselijk handelen kunnen zijn.13 Waaruit bestond het voedselpakket van de bewoners?De enige directe aanwijzing voor het voedselpakket uit de mesolithische bewoningsfase betreft verkoolde hazelnootdoppen. Deze worden op veel mesolithische vindplaatsen aangetroffen en zullen ongetwijfeld deel hebben uitgemaakt van het voedselpakket. De verbrande botfragmenten zijn niet op diersoort determineerbaar. Verdere aanwijzingen omtrent dierlijk voedsel ontbreekt derhalve. De aanwezigheid van een groot aantal pijlpunten duidt erop dat de bewoning op deze locatie op jacht was geori¨enteerd. Ook visvangst kan belangrijk zijn geweest. De lancetspitsen en steilgeretoucheerde klingetjes zouden hiervoor gebruikt kunnen zijn. Van andere mesolithische vindplaatsen binnen Nederland, die beter bewaard zijn gebleven, is bekend dat het voedselpakket bestondt uit vlees en vis, aangevuld met noten en vruchten, die in de omgeving werden verzameld. Uit één van de twee neolithische oppervlaktehaarden is gecalcineerd bot aangetroffen van schaap/geit. Waarschijnlijk is deze ter plaatse geconsumeerd. De pollenanalyse geeft aan dat er graan, mogelijk emmertarwe, in de omgeving is verbouwd. Bij het pollenonderzoek zijn ook braam en vlier aangetroffen, hiervan zouden de vruchten kunnen zijn genuttigd. Verder zal het voedselpakket uit vlees van onder andere runderen en varkens hebben bestaan. Dat men, naast zoogdier, ook wild, vis en gevogelte op het menu had staan blijkt uit het feit dat in Hempens enkele kleine jachtkampementjes uit deze periode zijn aangetroffen. De bewoning uit de Late IJzertijd/Romeinse Tijd heeft alleen faunaresten van rund opgeleverd. Deze resten kunnen als slacht- en/of keukenafval beschouwd worden. Deze dieren kunnen, behalve voor vlees ook voor melkproductie en voor trekkracht etc. gehouden zijn. 14 In welke seizoenen werd de zandrug bewoond/gebruikt?Op basis van het onderzoek kunnen slechts tot op zekere hoogte uitspraken worden gedaan over de seizoenen waarin de zandrug werd bewoond. Uit de mesolithische bewoningsfase is, behalve verkoolde hazelnootdoppen, geen organisch materiaal bewaard gebleven. De hazelnoten wijzen op gebruik of bewoning in het herfst- of winderseizoen.
为扩建吕伐登(Leeuwarden)与德拉赫滕(Drachten)之间的N31国道,将在亨彭斯(Hempens)附近修建一座渡槽。RAAP考古咨询事务所(RAAP Archeologisch Adviesbureau)已在此开展三项连续考古调查(Asmussen 1999、Asmussen 2000、Exaltus 2001b)。调查期间,在地表下约2.5米处发现一条南北走向的覆盖砂脊,其上带有石器时代的居住遗迹。由于拟建渡槽的隧道基坑将大幅扰动地下土层,进而破坏考古遗存,因此有必要通过发掘对该遗址开展全面研究。
结论1:考古遗存的组成
按居住阶段划分,各阶段的考古遗存如下:
中石器时代(Mesolithicum)居住阶段的出土遗物以燧石为主,另有天然石料、木炭、少量炭化榛果壳及少量烧骨遗存。该阶段的遗迹现象为49处深火塘坑。共出土超过41000件燧石制品,分布于文化层与火塘坑中,其中1153件为工具,其余为燧石加工废料。工具中以刮削器与尖状器占比最高,另有锥状器、钻具及断刃。燧石加工产物包括石核、石核修整片与石片碎片,刃片与石片可视为半成品。相当一部分燧石制品带有燃烧痕迹。天然石料包括敲砸石、炊煮石与磨石。发掘区西北角的天然石料石片集群较为醒目。动物遗存破碎程度过高,无法鉴定种属。
在泥炭层底部与下伏砂层顶部,发现了新石器时代(Neolithicum)遗存。该类遗存包括燧石、少量陶器碎片、烧骨碎片与木炭。遗址西南部分布有两处地表火塘。燧石制品包括2件横刃尖状器、5件叶状尖状器及1件磨制斧的石片。根据其在泥炭层中的出土位置,可将一件矛归入该阶段;带有表面修整的刮削器也可能属于该时期。15号探方中的2件敲砸石同样属于该居住阶段。陶器包括少量漏斗颈陶(trechterbekeraardewerk)碎片与若干无法进一步鉴定的小型陶片,出土陶片均较小且无纹饰。动物遗存仅可鉴定出1件羊/山羊骨骼碎片。
铁器时代/罗马时期(IJzertijd/Romeinse Tijd)的出土遗物包括手制陶器与动物遗存。陶器包含口沿与腹壁残片,其中部分带有纹饰。动物遗存包括少量牛骨碎片与1件狗头骨。该阶段的遗迹现象为壕沟与坑穴。
结论2:人工制品的类型学年代学
中石器时代的燧石人工制品包含多种尖状器类型,如梯形器、A型与C型尖状器。遗憾的是,目前尚无可靠的中石器时代类型学年代划分体系(Peeters & Niekus 2005,第220-222页),但可识别出该时期的若干演变趋势:C型尖状器主要见于中石器时代中期,梯形器主要见于中石器时代晚期,并延续至新石器时代早期。因此,燧石遗存可反映出中石器时代的两个阶段。
新石器时代居住阶段的燧石遗存中包含2件横刃箭镞,带有表面修整的刮削器也可能属于该时期;1件磨制斧的石片同样出自该阶段。若干叶状尖状器也属于该阶段,但也可能年代早至青铜时代早期,不过该较晚的年代可能性较低。在泥炭层与砂脊上出土的少量陶器碎片属于中新石器时代漏斗颈陶文化,因均为无纹饰的残片,无法复原器形,故无法进一步细分。最晚居住阶段的手制粗陶大多无纹饰,可归入Taayke的G4、G5、G6与V3类型,年代为铁器时代晚期与罗马时期。
结论3:出土遗存的年代
根据对火塘坑的一系列碳十四测年结果,中石器时代居住活动的年代范围至少为7989至7545 BP,校正后年代为公元前7050年至公元前6250年,该时段涵盖中石器时代中期与中石器时代晚期的一部分。对燧石遗存的分析也表明,中石器时代的居住活动持续了较长时间。
根据2次碳十四测年结果,新石器时代居住阶段的年代为中新石器时代,约4000 BP,校正后年代为公元前3340年至公元前2900年。横刃尖状器的年代同样为中新石器时代,漏斗颈陶的年代应介于公元前3400年至公元前2750年之间。最上层居住遗存的年代为铁器时代晚期/罗马时期,根据陶器类型学可进一步精确至公元前2世纪至公元3世纪,其中以公元最初3个世纪为主要年代区间。
结论4:遗址地层与土壤发育过程
研究区中部为一条西北-东南走向的砂脊,砂脊覆于萨冰期(Saale-glaciaal)沉积的泥砾层之上。全新世早期,砂脊较高部位形成了灰壤。值得注意的是,该层的A层厚度较大,推测是由于风力堆积与人类活动扰动导致其增厚。约自5000 BP起,该区域因积水逐渐被泥炭层覆盖,最终整个区域被厚泥炭层覆盖。泥炭层使得砂脊顶部根系发育旺盛。公元前4300年至公元前3400年期间发生了两次海侵,在泥炭层中沉积了黏土层。公元前2650年起,一层厚黏土层沉积于泥炭层之上,直至地表。
结论5:可识别的居住/使用阶段数量
如前所述,大体可识别出3个居住阶段:中石器时代中期与晚期、中新石器时代以及铁器时代晚期/罗马时期。其中最早的居住阶段是本次发掘的主体,其内部可区分出若干使用阶段,该阶段的居住活动持续了约800年。在此期间,砂脊曾多次被狩猎采集群体造访,也存在较长时段的无人使用期。发掘区内识别出的多处遗物聚集区可能对应不同的居住阶段,但对可定年人工制品分布的分析显示,中石器时代中期与晚期的遗存相互混杂。北部聚集区(集群A)可能属于中石器时代中期,南部聚集区(集群C)可能属于中石器时代晚期。在砂脊上发现的49处火塘坑可能对应不同的使用阶段,但由于遗址未完全发掘,推测仍有更多火塘坑存在,且部分火塘坑可能曾同时使用。通过对火塘坑中木炭的分析,可区分出作为燃料的不同木材种类,共识别出4组木材,其形成时间存在先后差异,据此也可推导出不同的居住阶段。至于中新石器时代居住阶段内部是否存在不同的使用阶段,无法通过出土遗物推断,其可能为单次造访,也可能是连续数年特定季节内的多次到访。
结论6:可识别的活动营地类型
中石器时代对该遗址的使用持续了较长时间,砂脊较高部位均发现了该阶段的遗存。燧石遗存可划分为A、B、C三个集群,由于集群间存在重叠与混杂,难以明确其营地类型。其可能为不同的狩猎营地和/或基础营地,可能连续多个季节被使用。集群A可能为基础营地,但该集群内部似乎存在两个独立的小型聚集区。北部集群内出现天然石料石片的现象较为醒目。集群B可能为基础营地,但工具数量有限,也可能为特殊活动区域。集群C由多层居住遗存堆叠而成,其中中石器时代阶段大概率为基础营地。在砂脊西南侧翼的16号探方中,似乎存在3处中石器时代的石器加工营地。
新石器时代的遗存可能与狩猎活动相关,仅分布有少量遗迹现象(地表火塘),遗物分布稀疏,表明该遗址的使用时间较短,为狩猎营地,可能持续了若干季节。出土的羊/山羊骨骼可能暗示存在畜牧营地,即夏季牧场。该时期附近区域可能存在永久性定居点。
铁器时代晚期/罗马时期的居住遗存属于聚落的边缘区域,该聚落的核心位于N31国道下方及两侧。
结论7:活动营地的规模
中石器时代的居住遗存分布于砂脊的较高部位,侧翼也发现了少量遗物。遗物分布区域的总面积约为330平方米,区域外围也有少量遗物出土。发掘区内可见多处遗物聚集区,彼此间距较近。集群A的面积为5×5米,但有迹象表明该集群由两个独立的小型聚集区组成,其西北边界未完全发掘。集群B的面积为4平方米。集群C的面积为2×5米,仅发掘了该集群的北部区域,其向南可能还延伸1至2米。由于集群未完全发掘,无法确定其准确规模。
新石器时代的居住活动分布于砂脊较高部位及其南部区域,南部区域的遗物聚集区面积仅为数平方米。西南侧的聚集区可能向北延伸,但该区域未被发掘;东南侧的聚集区为稀疏的遗物散布带,准确规模无法确定,可能超出发掘区范围。由于与更早的遗存混杂,砂脊上该阶段居住活动的规模无法确定。
铁器时代晚期/罗马时期的居住活动规模未在本次调查中确定,其分布范围超出了发掘区,尤其是南侧区域,该区域为该阶段聚落的核心所在地。
结论8:活动营地内部的结构与功能分区
中石器时代的居住遗存包含49处火塘坑,集中分布于砂脊顶部,推测用于烹饪活动,部分火塘中发现了炊煮石。在3处燧石集群中,多处地点发现了燧石加工的痕迹:集群B东侧发现了尖状器加工废料,推测此处也可能进行了锥状器的生产;集群C内也发现了尖状器加工与生产的痕迹,可能位于北侧与东侧;集群C西南角出土的锥状器暗示存在骨器加工活动。集群A与C被视为基础营地,而集群B可能为特殊活动区域。16号探方内的3处地点疑似狩猎营地,其中可见燧石加工与尖状器生产的痕迹,其中一处营地还可能存在皮革或木材加工活动。
新石器时代西南侧的遗物聚集区内发现了2处地表火塘,东北侧火塘处发现了敲砸石与石核,推测曾开展燧石加工活动;出土的横刃尖状器表明此处可能进行过箭镞的修理,同时也存在尖状器的生产;同一地点出土的刮削器则暗示存在木材加工或皮革清洁活动。
铁器时代晚期/罗马时期的遗存包含壕沟与坑穴,壕沟应为排水设施,以保障居住区域的干燥;坑穴可能作为垃圾坑或储藏坑使用。
结论9:各居住阶段考古遗存的保存状况
与预期不同,中石器时代的遗存中,除燧石与天然石料外,仅保存有木炭与少量炭化榛果壳。此前认为厚泥炭层的覆盖可使骨骼、角器、皮革等有机遗存得以保存,但该遗址在被泥炭覆盖前曾长期暴露于地表,导致这些易损材料在土壤中降解,即便在发掘区内的较低区域也未发现此类遗存。中石器时代的燧石制品保存完好,外观“新鲜”,几乎无风化痕迹。
新石器时代遗存的保存状况一般:除燧石与少量陶器外,保存有木炭、烧骨与少量陶器,其燧石制品同样保存良好。该时期高年代的陶器得以较好保存,可归因于漏斗颈陶的优质质地。在该时期的2处地表火塘及其周边,出土了大量烧骨碎片,这些骨骼已钙化且破碎严重,仅1件残片可鉴定种属。
铁器时代晚期/罗马时期遗存的保存状况良好,除陶器外还保存有动物骨骼。陶器保存完好,可从大量带有烟炱或烧结痕迹的残片得到印证。动物遗存保存状况一般,但数量较少,原因在于本次发掘仅揭露了该阶段聚落的边缘区域。
结论10:考古遗存保存状况是否存在空间差异
本次调查未发现遗存保存状况存在空间差异的迹象。
结论11:景观发育与砂脊及周边区域的居住/土地利用模式的关系
中石器时代的居住活动分布于南北走向砂脊的较高部位。对火塘坑的花粉分析表明,初始植被为松、桦、栎组成的森林,林内存在开阔地带,生长有石楠与草本植物;砂脊边缘的湿润森林中生长有桤木。砂脊较高部位形成了灰壤,侧翼则无此土层。中石器时代期间,砂脊发生风力堆积,局部形成厚的文化层覆盖物,导致中石器时代中期的旧火塘坑被掩埋。中石器时代的活动与狩猎当地野生动物相关,包括猎物、水鸟与鱼类,同时也采集果实与坚果,榛果无疑是当地采集的重要食物来源。
约4900 BP至4530±60 BP期间,砂脊被泥炭覆盖,此时遗址因过于潮湿而难以进入,基本无人使用。中新石器时代,砂脊较高部位再次出现人类活动,此时砂脊上已覆盖有约10厘米厚的泥炭层,该阶段的活动为小型狩猎或畜牧营地,居民可能从附近的永久性定居点前来狩猎或放牧。周边植被为以栎、椴、榛、冬青、榆为主的相对闭合的落叶林,灌木层包含悬钩子、接骨木、苹果、山楂,另有常春藤、猕猴桃、啤酒花与野金银花,同时生长有红豆杉。
结论12:是否存在人类对自然环境的干预迹象
本次调查未发现中石器时代人类直接干预自然环境的明确迹象。理论上,中石器时代的居民可能通过扩大森林中的开阔地带,为砂脊创造活动空间。中石器时代火塘的花粉谱显示,乔木花粉占比相对于草本花粉有所下降,暗示存在木材砍伐行为。砂层的风化迹象表明土壤受到扰动,进而引发风力堆积。磨制斧的石片可能暗示新石器时代存在木材加工活动,但花粉分析无法佐证这一点。花粉分析仅能提供人类干预自然环境的微弱迹象:2粒谷物花粉与若干杂草花粉的存在即为证明。东部侧翼发现的悬钩子与接骨木花粉也可作为人类活动的间接指征。
结论13:居民的食物构成
中石器时代居住阶段食物构成的唯一直接证据为炭化榛果壳,此类遗存在众多中石器时代遗址中均有发现,无疑是当时食物的重要组成部分。烧骨碎片无法鉴定种属,因此缺乏其他动物源性食物的直接证据。大量箭镞的出土表明该遗址的居住活动以狩猎为核心,捕鱼活动也可能较为重要,柳叶形尖状器与锐修刃片可能用于捕鱼。荷兰境内其他保存较好的中石器时代遗址表明,当时的食物构成包括肉类、鱼类,辅以采集的坚果与果实。
在其中一处新石器时代地表火塘中,发现了钙化的羊/山羊骨骼,推测为就地食用的遗存。花粉分析表明当地曾种植谷物,可能为二粒小麦;同时发现了悬钩子与接骨木,其果实可被食用。当时的食物构成还包括牛、猪等家畜的肉类,以及野生动物、鱼类与鸟类,这一点可从亨彭斯地区该时期的小型狩猎营地得到印证。
铁器时代晚期/罗马时期的居住遗存仅出土了牛的动物遗存,可视为屠宰或厨余垃圾,这些牛除提供肉类外,还可用于产奶、役使等用途。
结论14:砂脊的使用/居住季节
根据本次调查结果,仅能有限推断砂脊的使用季节。中石器时代居住阶段除炭化榛果壳外,未保存其他有机遗存,榛果的存在暗示该遗址的使用或居住发生在秋季或冬季。
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2015-06-13



