(26452.001) Eindrapportage archeologisch vooronderzoek Locatie Biezenkampen in Duiven
收藏DataCite Commons2026-04-13 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/WSPQWY
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Gespecificeerde archeologische verwachting
Vanuit het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor de perioden Laat Paleolithicum t/m IJzertijd en een middelhoge verwachting voor de perioden Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. Het gehele plangebied heeft voor langere tijd een ligging gehad binnen een rivierduinlandschap. Rivierduinen vormde gedurende een lange tijd tijdens het Holoceen hoger gelegen gebieden in het overwegend natte rivierenlandschap. Voor zowel jagers-verzamelaars als voor landbouwers had het rivierduinenlandschap in zijn algemeenheid een gunstige lig-
ging voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten. Het plangebied behield deze paleolandschappelijke ligging binnen een rivierduinencomplex in ieder geval tot de periode dat de te zuiden gelegen Herwen stroomgordel actief werd, circa 2000 jaar geleden. Reeds uitgevoerd gravend onderzoek binnen het onderzoeksgebied hebben archeologische resten en sporen opgeleverd voornamelijk op het niveau van de top van rivierduinafzettingen. Dit zijn wel onderzoeken die op enige afstand ten noordwesten/noorden van het plangebied
zijn uitgevoerd, waar rivierduinafzettingen minder diep ten opzichte van het huidige maaiveld voorkomen en daarmee in het verleden de hogere delen van het paleo-rivierduinlandschap vormde. Wellicht dat al tijdens de actieve fase van de Herwen stroomgordel, vanaf de Romeinse tijd, het plangebied al periodiek overstroomde tijdens perioden van hoogwater en de rivier buiten zijn oevers trad. Tijdens de Vroege Middeleeuwen lag het plangebied binnen de riviervlakte en vond sedimentatie plaats van fluviatiele afzettingen bovenop de rivierduin-
afzettingen. Er dient rekening te worden gehouden dat tijdens de beginperiode dat het plangebied binnen de invloedsfeer van de Rijn kwam te liggen, door overstromingen/hoogwater en golfwerking de oorspronkelijke top van het rivierduin kan zijn geërodeerd. Vanuit het bestudeerde hoogtebeeld nam het plangebied meer een landschappelijke ligging in op de lager gelegen flank van de oeverwalzone, enigszins al overgaand naar de komvlakte. Aantrekkelijk voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten waren juist de hoger gelegen oevergronden ten zuiden/zuidwesten van het plangebied. Na de bedijking van de rivieren vanaf de 11e/12e eeuw lag het plangebied in een uitgestrekt gebied waarin op enkele hoger gelegen delen gewoond en geakkerd kon worden. De lager gelegen delen konden nog geregeld overstromen bij hoogwater. In de westhoek van het plangebied ligt een historisch erf (huidige erf aan de Molenstraat 16). Binnen het centraal-westelijke deel van het plangebied kan een oude woongrond worden verwacht, waar vrijwel aangrenzend ten zuiden ook een historisch erf heeft gele-
gen (ter plaatse van het huidige erf Molenstraat 14). Historische erven zijn zichtbaar op historisch kaartmateriaal uit de tweede helft van de 18e eeuw, waarbij het ook goed mogelijk is dat hier laatmiddeleeuwse voorgangers hebben gelegen. Deze delen van het plangebied hebben dan ook een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische bewoningsresten en -sporen uit de perioden Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat in het gehele plangebied in de ondergrond rivierduinafzettingen aanwezig zijn en daarmee een paleo-landschappelijke ligging heeft gehad binnen een rivierduinenlandschap/rivierduincomplex. Echter is binnen het merendeel van het plangebied (zuidelijke, centrale, oostelijke, centraal-noordwestelijke en noordwestelijke deel van het plangebied) de oorspronkelijke top van het pakket rivierduinzand niet meer aanwezig, ten gevolge van overstromingen/hoog-
water en golfwerking zeer waarschijnlijk tijdens het begin van de actieve fase van de Herwen stroomgordel (actief tussen 2000 en 1500 jaar geleden). Boven het rivierduinzand is namelijk binnen het merendeel van het plangebied een menglaag van rivierduinzand met klei aanwezig van enkele decimeters dik en op een diepte beginnend op 90/120 cm -mv. Tevens is een voorheen goed ontwikkeld bodemprofiel niet waargenomen, wat meest waarschijnlijk een vorstvaaggrond/holtpodzolgrond is geweest binnen wat voorheen de (middelhoge tot) hogere delen van het rivierduincomplex betroffen. Daarmee zijn binnen de begrenzing van het plangebied waarschijnlijk de voorheen middelhoge tot hoge delen van het rivierduincomplex verspoeld/geërodeerd. In het westelijke tot centraal-westelijke deel en de noordelijke/noordoostelijke strook van het plangebied is de dieper gelegen oorspronkelijke top van het rivierduinzand wel bewaard gebleven, echter dit betroffen lager gelegen terreindelen binnen het rivierduinenlandschap. Veelal vanaf bijna/rond 200 cm -mv is namelijk een circa 20 cm dikke laag aanwezig van sterk humeuze/bijna venige, sterk siltige tot matig zandige klei en vervolgens matig humeus, zwak siltig, matig grof zand met ingedrongen klei. Het gaat waarschijnlijk om een Vroeg-Holocene Laag van Wijchen/overstromingsklei gelegen op een (zeer) natte bodem in de top van het pakket rivierduinzand, welke bewaard is gebleven binnen lagere gelegen terreindelen/depressies binnen het rivierduinenlandschap (zeer nat/drassig paleolandschap, waarschijnlijk sprake van broekbossen) (zie kaart 19). In het centrale tot oostelijke deel van het plangebied is bij enkele boringen ook deze bodemopbouw aangetroffen, daarmee kleine lager gelegen terreindelen/kleine depressies vormend binnen het in de ondergrond aanwezige rivierduincom-
plex (zie kaart 19). Tijdens waarschijnlijk (het eerste deel van) de actieve fase van de Herwen stroomgordel heeft binnen de lager gelegen terreindelen van het rivierduinenlandschap sedimentatie plaatsgevonden van met name zwaar getextureerde komafzettingen, vooral binnen het westelijke tot centraal-westelijke deel en de noordelijke/noordoostelijke strook van het plangebied. Vervolgens heeft binnen het gehele plangebied sedimentatie van meer oever- tot komachtige afzettingen plaatsgevonden, welke zicht bevindt vanaf het maaiveld tot circa 95/120 cm -mv en waarbij tijdens latere fasen van overstromingen van de Herwen stroomgordel meer zandige klei dan siltige klei is gesedimenteerd. Dit is waarschijnlijk te koppelen aan het duidelijker vormen van de oeverwalzone langs de Herwen stroomgordel en dat de actieve geul een meer noordelijke ligging had, daarmee relatief dichter bij onderhavig plangebied.
Binnen het erf aan de Molenstraat, in de uiterste westhoek van het plangebied, is sprake van een sterk geroerde/bewerkte bodemopbouw en waarbij tot op aanzienlijke diepte resten beton- en baksteenpuin en Portland cement is aangetroffen. Er lijkt al vrij diepgaande vergravingen/bodemverstorende ingegrepen te hebben plaatsgevonden ten tijde van bouw van de bestaande woonboerderij en schuren/bijgebouwen rond 1900, waardoor resten bouwafval in dieper gelegen geroerde/omgewerkte bodemlagen terecht zijn gekomen. In géén van het overgrote deel van de boringen gezet binnen de agrarische percelen zijn archeologische indicatoren aangetroffen (denk aan fosfaatvlekken/concentratie van fijne resten/spikkels houtskool) die mogelijk kunnen duiden op de aanwezigheid van een cultuurlaag.
Slechts bij twee boringen gezet in het centraal-westelijke deel van het plangebied, nabij het erf aan de Molenstraat 14, lijkt onder de huidige bouwvoor nog sprake te zijn van een bewerkte grondlaag. Wellicht gaat het om een restant van een oude akkerlaag, alhoewel ook hierin geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen
(geen fosfaatvlekken/concentratie van fijne resten/spikkels houtskool). Het aflopen van de boorraaien voor het zetten van de verkennende boringen heeft alleen nabij boring 46 een maaiveldvondst opgeleverd van een wandfragment steengoed, daterend uit de perioden tussen 1300-1325 n. Chr. Het maaiveld van de percelen akkerland oogde ook vrij schoon (weinig antropogene resten).
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de hoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd bijgesteld dient te worden naar een lage verwachting. In de tijd dat de top van het pakket rivierduinzand het maaiveld vormde zullen de middelhoge tot hoge delen van het rivierduinlandschap geschikte locaties hebben gevormd voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten, echter deze zijn reeds geërodeerd/vernietigd. De lagere delen/depressies binnen het rivierduinenlandschap waren hiervoor minder, zo niet ongeschikt. Verder komen
voornamelijk relatief zwaar getextureerde oever- tot komafzettingen voor, met in het westelijke tot centraal-westelijke deel en de noordelijke/noordoostelijke strook van het plangebied hieronder ook nog duidelijk (zeer) zwaar getextureerde komafzettingen. Het bevestigd de landschappelijke ligging van het plangebied op de lager gelegen flank van de oeverwalzone/overgang naar de komvlakte tijdens in ieder geval een groot deel van de actieve fase van de Herwen stroomgordel. De beter geschikte gronden voor bewoning en bakkering moeten ten zuiden van het plangebied gezocht worden. De gezette boringen hebben ook geen oude cultuurlagen met hierin archeologische indicatoren opgeleverd (geen fosfaatvlekken/concentratie van fijne resten/spikkels houtskool). Daarom dient voor de perioden Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen de middelhoge verwachting ook bijgesteld te worden naar een lage verwachting. Binnen de uiterste westhoek van het plangebied hebben veel verstoringen/vergravingen plaatsgevonden tijdens de bouw en inrichting van het boerenerf rond 1900. Daarmee wordt de kans klein geacht om nog restanten van een voorganger van de bestaande woonboerderij aan te treffen. De bestaande bebouwing binnen het erf aan de Molenstraat 16 staat verder niet aangemerkt als gemeentelijk monument. Ook in het centraal-westelijke deel van het plangebied hebben boringen nabij het erf aan de Molenstraat 14 geen overtuigende bewijzen opgeleverd die duiden op intacte restanten van een oude woongrond. Daarom dient voor de perioden Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd de hoge verwachting ook bijgesteld te worden naar een lage verwachting.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande ontwikkeling/bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Het paleo-rivierduinenlandschap is binnen het merendeel van het plangebied aangetast/vernietigd. Hierbij zijn juist de voorheen middelhoge tot hoge delen van het rivierduincomplex verspoeld/geërodeerd, welke wellicht in het verleden geschikte locaties vormden voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten. De bovenliggende fluviatiele afzettingen bestaan uit relatief zwaar getextureerde oever- tot komachtige afzettingen en duidelijk zwaar getextureerde komafzettingen binnen de voorheen aanwezige laagten/depressies in het rivierduinenlandschap. Verder zijn oude cultuurlagen met hierin archeolo-
gische indicatoren niet aangetroffen. De verwachting dient voor alle archeologische perioden bijgesteld te worden naar een lage verwachting.
Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Duiven). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is verder raadzaam om ook de gemeente Duiven op de hoogte te stellen.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-04-08



