Transect-rapport 2108: Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Huijbergen, Vennekensstraat 12. Gemeente Woensdrecht (NB).
收藏DANS Data Station Archaeology2019-03-12 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZKZ-EX83
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In maart 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Vennekensstraat 12 in Huijbergen (gemeente Woensdrecht). De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging, waarbij het huidig agrarische terrein wordt omgevormd tot een bouwkavel voor een woning. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1150 m2. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord.</p><p>Volgens het vigerende bestemmingsplan Buitengebied (2016) geldt in het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Hier geldt dat bij bodemingrepen vanaf 250 m2 en een diepte vanaf 50 cm -Mv archeologisch onderzoek verplicht is. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1150 m2, waarbinnen de bestemming moeten worden gewijzigd naar wonen. Aangezien de voorgenomen bouwplannen deze planregels overschrijden, is in het kader van een bestemmingsplan wijziging een archeologisch onderzoek nodig, hier in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.</p><p>Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied. Om de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen, en waar mogelijk bij te stellen, is een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd in het plangebied.</p><p>Conclusie<br>• Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het aantreffen van archeologische waarden vanaf Paleolithicum tot en met het Mesolithicum, gebaseerd op de ligging van het plangebied in een terrasafzettingsvlakte tussen een dalvormige laagte en een landduin. Theoretisch gezien was bewoning mogelijk vanaf het Paleolithicum binnen in het plangebied, totdat, gedurende het Neolithicum het gebied bedekt raakte met veen. Er geldt voor deze periodes een hoge verwachting op archeologische waardes. In de 13e eeuw is het gebied verveend en werd er turf gewonnen. Daarbij werden turfvaarten aangelegd, waarvan er een direct ten noorden van het plangebied zou liggen. Ook zou er een watermolen hebben gelegen, maar van beide locaties wordt de ligging niet door historisch kaartmateriaal en de molendatabase vastgesteld. De vaart zou namelijk verder noordelijk hebben gelegen en deze waterloop lijkt pas in het eind van de 19e eeuw te zijn aangelegd. Zodoende geldt voor de periode Late Middeleeuwen een lage archeologische verwachting (hoewel enkele sporen van landgebruik, akkerlagen e.d. niet uit te sluiten zijn). Voor wat betreft de Nieuwe tijd is het gebied onbebouwd en in het begin van de 19e eeuw in gebruik geweest als heide. Dit maakt het niet waarschijnlijk dat in het plangebied in de periode ervoor ooit bebouwing heeft gestaan. Daarom geldt ook voor de Nieuwe tijd een lage archeologische verwachting.<br>• Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in een ooit met veen bedekt dekzandgebied gelegen heeft. Dit veen is in de 13e tot 15e eeuw afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Als gevolg van deze graafwerkzaamheden is de oorspronkelijke top van het dekzand verstoord geraakt, doordat deze is omgewoeld en vermengd met veen. Het is uiteindelijk tot heide verworden, mogelijk omdat het gebied alsnog te nat was voor landbouw, maar in het begin van de 20e eeuw is het als grasland in gebruik genomen.. Als gevolg van de vervening en omwerking van het dekzand is de kans dat er nog intacte archeologische resten uit de periode Paleolithicum-Neolithicum aanwezig zij klein. Daarom is voor die periode de hoge verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen naar laag. Voor wat betreft de overige perioden blijft op basis van de resultaten van het veldonderzoek sprake van een lage archeologische verwachting.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2019-03-13



