Achter de Berke Milheeze Archeologisch proefsleuvenonderzoek ten behoeve van de herbestemming van plangebied Achter de Berke te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel. Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven
收藏DataCite Commons2025-12-11 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/HRKWXH
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>B.V. Exploitatiemaatschappij “De Peelhorst” is voornemens een gebied ten zuiden van het natuurgebied 'De Stippelberg' te gaan ontwikkelen tot een natuurbestemming waarbij tijdens de herbestemming ook de ontgronding van het gebied plaats vindt. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 19 ha en is momenteel grotendeels in gebruik voor agrarische doeleinden. Voor het plangebied zijn inmiddels al meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd in de vorm van één bureaustudie en twee inventariserende veldonderzoeken middels boringen (verkennend en karterend). Op basis van het verkennend booronderzoek is een zone aangewezen waarbinnen een aanvullend onderzoek noodzakelijk is middels een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven; het onderzoeksgebied betreft een gebied met een oppervlakte van ca 6,93 ha waarbinnen het proefsleuvenonderzoek een oppervlakte van ca 7.000 m2 besloeg. Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven was om vast te stellen of er een betekenisvolle archeologische vindplaats aanwezig is, en waar mogelijk het bepalen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van aangetroffen archeologische waarden aan de hand van de aard, ouderdom, omvang en conservering. In het noordelijk deel van het plangebied diende daarnaast een proefsleuf te worden aangelegd om te bepalen of hier restanten van een middeleeuwse landweer aanwezig zijn. Specifiek voor fase 1 van het onderzoek gold en extra doelstelling, namelijk om met name op basis van de resultaten van fase 1 een gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde van het plangebied op te stellen en tevens uitsluitsel te geven over de mogelijke ouderdom van het esdek in nauwe relatie tot de aanwezigheid van het nog aanwezige natuurlijk bodemprofiel. Binnen het plangebied lag tijdens het Saalien een vlechtend rivierenysteem van de Maas, met bijbehorende fluvioperiglaciale afzettingen tot gevolg. De top van deze afzettingen bestaat uit verspoeld dekzand. In de top van het verspoelde dekzand heeft een veenpakket zich kunnen vestigen. In de moderne tijd is het veenpakket vermengd met humeus ophogingszand. Vanwege de aanwezigheid van veen kan worden gesteld dat het plangebied relatief laag in het landschap lag. Hierdoor was er een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied. Het diepe ploegen om het land gereed te maken voor de landbouw zal eventuele waarden nog sterk hebben verstoord. Weliswaar is er binnen het plangebied sprake van een dik pakket humeuze grond, maar dit kan in tegenstelling tot hetgeen werd verwacht niet als een esdek worden geïnterpreteerd. Een esdek kenmerkt zich door een ophoging over een langdurige periode waarbij het toegevoegde zand een bijeffect was van de bemesting door middel van plaggen. Op kaartmateriaal van 1794 staat het plangebied als woeste grond aangegeven. Op de kadastrale kaart van 1811-1832 is het terrein geperceleerd en in gebruik als weiland. Vanaf de 19e eeuw nam het gebruik van plaggenbemesting juist af. Daarnaast bevindt zich aan de onderkant van het humeuze zand een verstoringslaag die machinaal moet zijn geproduceerd. Dit doet vermoeden dat er binnen het plangebied een ophoging heeft plaatsgevonden met humeus zand om de bodem geschikt te maken voor de teelt van gewassen. Deze ophoging zal hebben plaatsgevonden in de moderne tijd met moderne apparatuur. In de proefsleuven zijn er vrijwel geen archeologische sporen van belang aangetroffen. De zes gedocumenteerde (paal)kuilen zijn of recent, of mogelijk natuurlijk van aard. Ze liggen verspreid over het plangebied en vormen geen structuur. Ook is er geen vondstmateriaal uit afkomstig. Daarnaast zijn er 34 greppels dan wel sloten gedocumenteerd. Deze dateren uit de late 18e tot 20e eeuw en kunnen voor het merendeel worden gekoppeld aan de percelering en weggetjes die op kaartmateriaal uit de 19e en 20e eeuw staan weergegeven. In proefsleuf 7 zijn de resten van de voormalige Esperloop gedocumenteerd. De loop stond vermoedelijk in relatie tot een middeleeuwse landweer en was tot de tweede helft van de 20e eeuw nog binnen het plangebied aanwezig. Op basis van het vooronderzoek werden binnen het plangebied, met name ter hoogte van proefsleuf 50, de resten van de landweer verwacht. Weliswaar zijn er binnen het plangebied diverse greppels dan wel sloten gedocumenteerd, maar geen daarvan echter kan duidelijk aan een landweer worden gekoppeld. Wel zijn ze aan 19e- en 20e-eeuwse percelering te relateren. Er zijn tijdens het onderzoek ook geen resten van een wal waargenomen. Er is daarmee geen aanwijzing dat de landweer binnen het plangebied heeft gelopen. Tijdens het onderzoek zijn er nauwelijks tot geen vondsten aangetroffen. In totaal zijn er vier fragmenten aardewerk verzameld, afkomstig uit twee greppels en de bouwvoor. De fragmenten dateren uit de late 18e en 19e eeuw. Dit sluit aan bij de datering van de sporen op basis van het kaartmateriaal. Op basis van de onderzoeksresultaten van fase 1 van het proefsleuvenonderzoek kan de archeologische verwachting binnen het plangebied naar beneden worden bijgesteld Hiervoor is een aantal redenen aan te voeren: - Er is binnen het plangebied geen sprake van een esdek zoals op grond van eerder onderzoek werd verwacht en de bodem is tot in de natuurlijke ondergrond recent verstoord door diepploegen en grondverbeteringswerkzaamheden. - De restanten veen in de moderne ploeglaag en het verspoelde dekzand geven aan dat het plangebied was gelegen binnen een lager gelegen deel van het landschap, op basis waarvan het gebied in het verleden minder geschikt was voor bewoning. - Er zijn geen aanwijzingen voor een mogelijke archeologische vindplaats in de vorm van archeologische sporen en vondsten. Tijdens het onderzoek zijn over het gehele terrein verspreid drie paalkuilen en drie kuilen gedocumenteerd. Deze bleken na nader onderzoek of recent of vermoedelijk natuurlijk van aard. Er is geen vondstmateriaal uit afkomstig. Ze vormen geen structuur. - Er zijn wel diverse greppels en sloten gedocumenteerd. Deze kunnen worden gerelateerd aan de perceleringsgrenzen en een weg die staan weergegeven op 19e- en 20e-eeuws kaartmateriaal. - Ook qua vondstmateriaal is er weinig aangetroffen. De enkele scherven die zijn verzameld dateren uit de 18e tot 20e eeuw en zijn uit de (sub)recente perceleringsgreppels afkomstig. - Buiten de moderne resten van de Esperloop die nog tot de tweede helft van de 20e eeuw binnen het plangebied liep kan van geen van de aangetroffen greppels met enige zekerheid worden aangenomen dat ze oorspronkelijk deel uitmaakten van een landweer. Op grond hiervan kan het verwachtingsmodel naar beneden worden bijgesteld. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert geen vervolgonderzoek op grond waarvan fase 2 van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven kan komen te vervallen. Het is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Brabant, om op basis van het hierboven geformuleerde advies en de voorgenomen ingrepen, een besluit te nemen ten aanzien van vervolgonderzoek. Ook nadat het archeologisch onderzoeksproces is afgerond, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de provincie Noord-Brabant en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-12-11



