five

Veranderend landschap en schuivende erven. VTN'98-2; middeleeuwse bewoning in Veldhuizen (De Meern)

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-26u-38us
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Ten westen van Utrecht wordt sinds 1997 gewerkt aan Leidsche Rijn, de grootste VINEX-locatie van Nederland. In dit gebied bevindt zich de stroomrug van de Oude Rijn, met aan weerszijden uitgestrekte komgebieden. Ten westen van De Meern heeft de Oude Rijn tot in de derde eeuw na Chr. een zuidelijke zijrivier gekend. Deze leidde tot het ontstaan van de ca. 4 km lange Heldammer stroomrug, die vanaf de IJzertijd bewoond is geweest. In de eerste eeuw na Chr. werd de zijrivier geïntegreerd in de Romeinse rijksgrens. De afgelopen veertien jaar zijn bij opgravingen op de zuidoever van de rivier onder meer Romeinse wachttorens, wegen, nederzettingen, een moerasbrug en een loskade opgegraven. Na het vertrek van de Romeinse legers bleef de Heldammer stroomrug er eeuwenlang onbewoond bij liggen. Hij kwam vermoedelijk in de elfde eeuw als onderdeel van de polder Bijleveld te liggen binnen de vroegste ontginningen in het Nedersticht. De stroomrug werd van oost naar west doorsneden door een wetering, die de kopse kant vormde van zogeheten cope-ontginningen. Deze langgerekte kavels hadden een lengte van ca. 1250 m, een breedte van ca. 110 m en waren aan de achterzijde begrensd door een tweede wetering, die als ontginningsbasis van een nieuwe reeks cope-ontginningen diende. De boerderijen waren gesitueerd aan de kopse zijde van de kavels en lagen zodoende in de directe omgeving van de wetering. Het deel van de Heldammer stroomrug ten zuiden van de wetering (op de plek van de huidige Leidsche Rijn) maakte onderdeel uit van een gebied dat reeds eeuwen bekend staat als Veldhuizen. De oudste middeleeuwse bewoning in dit gebied dateert uit de twaalfde eeuw. De twaalfde-eeuwse erven in Veldhuizen die eind jaren ’90 bekend waren, lagen nagenoeg alle direct ten zuiden van de Leidsche Rijn, terwijl diverse dertiende- en veertiende-eeuwse erven enkele honderden meters zuidelijker waren gelegen. Een blik op de bodemkaart leerde dat de twaalfde-eeuwse erven midden op de stroomrug lagen, terwijl de zuidelijke erven langs de rand hiervan waren gesitueerd. Dit leidde op dat moment tot de theorie dat door de grootschalige ontwatering van het gebied als gevolg van de cope-ontginningen de bodem in het komgebied was ingeklonken en de stroomrug dientengevolge duidelijk zichtbaar werd als een hoge rug in het landschap. Het laaggelegen komgebied was vanaf ca. 1250 alleen nog geschikt om als grasland te dienen, als gevolg waarvan de boerderijen ten behoeve van een efficiëntere bedrijfsvoering verschoven naar de overgang van bouwland naar grasland. In het voorjaar van 1998 werden tijdens ontgrondingswerkzaamheden diverse archeologische sporen en een grote hoeveelheid IJzertijdaardewerk aangetroffen op een perceel direct ten zuiden van de Leidsche Rijn. In de herfst van dat jaar werd een kleine opgraving uitgevoerd, waarbij rekening werd gehouden met de aanwezigheid van een kleine huisplaats uit de IJzertijd. Er werd echter een deel van een achtererf uit de late Middeleeuwen blootgelegd. De boerderij zelf stond vermoedelijk net ten noordoosten van het opgravingsterrein en kwam zodoende niet in beeld. Wel werden drie opeenvolgende greppels uit de twaalfde eeuw aangetroffen, die vermoedelijk deze boerderij hebben omgeven. In de vulling van deze greppels werd namelijk een grote hoeveelheid materiaal gevonden. In de zuidelijke helft van het opgravingsterrein werd een zesroedige hooiberg aangetroffen, waar omheen een kringgreppel lag. In de kringgreppel bevonden zich acht diepe kuilen, die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het vangen van muizen en ander ongedierte ter bescherming van het gewas, dat lag opgeslagen in de hooiberg. Ook werd een ingegraven pot gevonden, die vermoedelijk eenzelfde functie heeft gehad, al werden geen muizenbotjes aangetroffen in de vulling ervan. Rond de kringgreppel lag een kromme greppel, die in relatie met de hooiberg lijkt te zijn aangelegd. Deze greppel vormde vermoedelijk de begrenzing van het achtererf, aangezien hierbuiten geen sporen werden waargenomen. Ten zuiden en oosten van de hooiberg werden diverse paalkuilen aangetroffen, waarvan er vier behoorden tot een kleine, rechthoekige spieker. Van de overige (paal)kuilen kon de functie niet worden vastgesteld, maar het is goed mogelijk dat ze eveneens tot spiekers hebben behoord. Vermoedelijk had de zone binnen de kromme greppel een specifieke functie, waarschijnlijk voor de opslag van de oogst. Het aangetroffen aardewerk bestaat nagenoeg volledig uit twaalfde-eeuws materiaal en is grotendeels afkomstig uit de vulling van de drie greppels, die vermoedelijk rondom de boerderij hebben gelegen. De ingegraven pot dateert echter waarschijnlijk uit de eerste helft van de veertiende eeuw en betreft mogelijk een latere toevoeging aan de hooiberg. Op basis van deze opgraving in combinatie met een hernieuwde bestudering van de reeds overige informatie omtrent de middeleeuwse bewoning op de Heldammer stroomrug is de theorie over de verschuiving van de erven naar de rand van de stroomrug als gevolg van reliëfinversie gedetailleerder uitgewerkt. Deze verschuiving heeft inderdaad plaatsgevonden, maar voltrok zich aan de oostzijde van Veldhuizen aanzienlijk vroeger dan aan de westzijde. Dit heeft vermoedelijk te maken met de oriëntatie van de zuidelijke begrenzing van de stroomrug, die tot gevolg had dat aan de oostzijde van Veldhuizen het grasland aanzienlijk verder verwijderd lag van de oorspronkelijke erven langs de ontginningswetering dan aan de westzijde.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务