Onderzoeksgebied Herinrichting polder Zuidzijde en Abessinië te Bodegraven en Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
收藏DANS Data Station Archaeology2021-11-09 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-26V-FYED
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In opdracht van Staatsbosbeheer heeft RAAP in oktober-november 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het onderzoeksgebied Herinrichting polder Zuidzijde en Abessinië te Bodegraven en Reeuwijk in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk. In het plangebied met een oppervlakte van circa 82 ha zijn drie zones onderzocht met een totale oppervlakte van circa 5.400 m2. In onderzoeksgebieden 1 en 2 zijn ontgravingen tot maximaal 1,3 m –mv voorzien in het kader van de aanleg van watergangen. In onderzoeksgebied 3 zijn afplaggingen tot 20-30 cm –mv voorzien. Resultaten verkennend booronderzoek In onderzoeksgebieden 1 en 3 zijn respectievelijk oeverafzettingen van de Oude Rijn en oevers aanwezig die vanuit een crevassegeul zijn afgezet. Deze lagen zijn in onderzoeksgebied 1 binnen de maximale ontgravingsdiepte aangeboord (vanaf 25-40 cm –mv). Hier is de aanleg van watergangen voorzien (tot maximaal 130 cm –mv). Op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek is slechts een dun pakket oeverafzettingen in de bodem aanwezig (in de meeste boringen 10-35 cm), zijn deze lagen slechts over enkele trajecten ontkalkt, en zijn geen lak- of cultuurlagen aangetroffen. Hierbij lijkt het waarschijnlijk dat de oorspronkelijke top van het oeverpakket in de bovenliggende bouwvoor is opgenomen of in het verleden is vergraven (in het kader van kleiwinning). Voor voormalige kleiwinningsgebieden bestond een middelhoge archeologische verwachting (in plaats van een hoge verwachting), aangezien dieper gelegen archeologische vondstniveaus hier nog aanwezig k onden zijn. Dit blijkt op basis van de hierboven beschreven observaties slechts in beperkte mate het geval. Dieper gegraven sporen zouden wel nog kunnen worden aangetroffen. De (ontkalkte) oeverafzettingen in onderzoeksgebied 3 zijn dieper dan de maximale ontgravingsdiepte in deze zone aangeboord (vanaf 35-50 cm –mv), aangezien hier slechts afplaggingen tot 20-30 cm –mv zullen plaatsvinden. In onderzoeksgebieden 1, 2 en 3 zijn restgeul - en/of geulafzettingen hoogstens vanaf 50 cm –mv (onderzoeksgebied 1) en vanaf 70 cm –mv (onderzoeksgebieden 2 en 3) aanwezig. Hierin zouden vondsten uit natte contexten, zoals sporen van visserij, jacht of rituele deposities, aanwezig kunnen zijn. Zulke archeologische fenomenen zijn echter niet met een archeologisch booronder zoek op te sporen. Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek blijken op de locaties waar historische dijken of kades werden verwacht (op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart) géén duidelijke ophogingslagen aan of kort onder het maaiveld aanwezig. Hier zijn hoogstens op enkele locaties rommelige lagen iets dieper dan de bouwvoor aangetroffen. Daarnaast zijn hier geen duidelijke verhogingen van het maaiveld aanwezig. Voor de aangetroffen komafzettingen of veenlagen, die met name de bodemopbouw in onderzoeksgebied 2 domineren, bestaat een lage verwachting voor bewoningssporen, aangezien hierin bijvoorbeeld geen veraarde veenlagen zijn waargenomen.</p>
提供机构:
RAAP
创建时间:
2021-11-10



