Bureauonderzoek Booronderzoek Archeologische Begeleiding Geotechnische boringen Plangebied te Muiden Opdrachtgever Gemeente Gooise Brinklaan 35 1404 EP Bussum 035-2070686 Projectnummer 181919 Kenmerk EAN/ALG nd Advies, Ambac Bureauonderzoek Booronderzoek Archeologische Begeleiding Geotechnische boringen Plangebied Muiden Muiden, gemeente Opdrachtgever Gemeente Gooise Meren Brinklaan 35 1404 EP Bussum 2070686 Projectnummer Kenmerk ALG/HAMA/181919 achtsweg 9b, 7021 Bureauonderzoek, Verkennend Booronderzoek Archeologie en Archeologische Begeleiding Geotechnische boringen Muiden Vesting gemeente Gooise Meren 81919 21 BT Zelhem t. 06 Verkennend Archeologie en Archeologische Begeleiding Geotechnische boringen esting Gooise Meren
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-zv5-hkq5
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van mr. C. van Zanten namens de gemeente Gooise Meren een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek verricht conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) voor het plangebied Muiden vesting in het bijzonder bastion VI en IX van de vesting Muiden. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de geplande reconstructie van een deel van de vestingwerken van Muiden. Binnen dit onderzoek is het plangebied opgedeeld in twee zones, te weten een noordelijk deel waarin de reconstructie van Bastion VI zal worden gerealiseerd en een zuidelijk deel waarin de reconstructie van bastion IX zal worden gerealiseerd. De oppervlakte van het gehele plangebied bedraagt ca. 2,0 ha. De oppervlakte van de individuele onderzoeksgebieden bedragen respectievelijk ca. 0,8 ha en ca. 1,2 ha.Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Stad Muiden’ van toepassing. Voor het archeologische onderzoek zijn de dubbelbestemmingen ‘Archeologie’ en ‘Beschermd Stadsgezicht’ van belang. Voor gebieden binnen het bestemmingsplan waaraan de waarde Archeologie is toegekend bepaalt de gemeente of een archeologisch onderzoek nodig is alvorens de omgevingsvergunning zal worden verleend. Voordat een omgevingsvergunning van kracht wordt voor een activiteit die (ook) een beschermd archeologisch of gebouwd Rijksmonument raakt, moet eerst een monumentenvergunning zijn verleend. Voor gebouwde Rijksmonumenten en archeologische Rijksmonumenten geldt dat conform art. 11van de Monumentenwet 1988 een ontheffing dient te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De Rijksdienst is wettelijk verplicht binnen zes maanden na het indienen van een aanvraag een definitief besluit te nemen over een vergunningaanvraag.Onderhavig onderzoek bestaat uit een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek verricht conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) voor het plangebied Muiden vesting waarbij extra aandacht is besteed aan de ligging en vormgeving van de vestingwerken van Muiden in de 19e eeuw. Het conceptrapport en het selectieadvies zullen worden getoetst door het bevoegd gezag.ConclusieIn het plangebied is sprake van een gecompliceerd bodemopbouw. Aan het eind van het pleistoceen is in het gebied dekzand afgezet dat vervolgens bedekt is geraakt met Basisveen. Een deel van dit veen is vervolgens opgeruimd door de Vecht of door inbraken van de toenmalige Zuiderzee. Tevens is het veen afgegraven vanaf de Late Middeleeuwen ten behoeve van de turfwinning. De sedimenten van de Vecht en de Zuiderzee kunnen getand voorkomen, daar deze in open verbinding met elkaar stonden en de Zuiderzee tot in de Nieuwe Tijd sporadisch sediment heeft afgezet na dijkdoorbraken. Op de oeverwallen van de Vecht in de buurt van het plangebied is in ieder geval vanaf de 8e n.Chr. sprake van bewoning.Door de ligging van de onderzoeksgebieden binnen de bebouwde kom van Muiden is de verwachting dat de bodem tot een diepte van minimaal 0,80 m-mv verstoord is geraakt. Uit het cartografisch onderzoek komt naar voren dat in delen van het plangebied de bodem mogelijk dieper is verstoord als gevolg van het dempen van delen van de oude gracht en het slechten van de middeleeuwse wallen. Daarnaast heeft de aanleg van structuren(en latere sloop van deze structuren) in de 19e eeuwse vestingwallen lokaal mogelijk voor diepe bodemverstoringen gezorgd.Uit het booronderzoek blijkt dat de basis van de profielen in de meeste boringen bestaat uit de natuurlijke ondergrond. Daarop bevinden zich een groot aantal ophogingslagen die op basis van het begeleidende vondstmateriaal in de periode van de 15e tot en met de 19e eeuw gedateerd kunnen worden. In de diepere ondergrond zijn restanten aangetroffen van de oorspronkelijke middeleeuwse stadsmuren en stadstoren(s), van de uitbreiding van de vesting in de 17e en 18e eeuw en de uitbreiding van de vesting in de 19e eeuw. De basis van de vestingwallen van de laatste uitbreiding is nog aanwezig. De oorspronkelijke aarden ophoging is grotendeels verdwenen. De bovenste laag kenmerkt zich door subrecent vondstmateriaal uit de 19e eeuw zoals fragmenten van eierkolen en baksteenpuin. Deze laag is opgebracht bij de uitbreiding van de vesting rond 1879. Het oorspronkelijke profiel kan niet herleid worden op basis van de bodemopbouw, omdat het bovenste grondpakket al teveel afgegraven is om de oorspronkelijke maaiveldhoogtes te kunnen herleiden. Dit is wel mogelijk op basis van de ontwerptekeningen uit 1874 die in dit bureauonderzoek zijn opgenomen in combinatie met de bestekken en de nog in de gebouwen aanwezig APbouten. Vanuit deze AP-bouten is globaal de oorspronkelijke maaiveldhoogte te reconstrueren. Op basis van de aanvullende gegevens die zijn gedocumenteerd tijdens de begeleiding van de diepe boringen kunnen de vragen 1, 4 en 6 uit het verkennend onderzoek aangevuld worden.Uit de resultaten van de diepe boringen blijkt dat de natuurlijke bodemopbouw in de diepere ondergrond, zoals verwacht bestaat uit geschakeerde lagen die zijn ontstaan als gevolg van erosie en sedimentatie vanuit de Vecht en het toenmalige Flevomeer/Zuiderzee. Deze lagen bestaan onder andere uit restgeulafzettingen met klei en veen en beddingafzettingen van grof zand van de Vecht, wadafzettingen van zandige klei met brakwaterkokkels vanuit het Flevomeer/Zuiderzee en lagen veen die kunnen worden getypeerd als Hollandveen en Basisveen dat is ontstaan ten tijde van stagnatie van het waterniveau binnen het plangebied.In de boorkernen van de diepe boringen was het helaas niet mogelijk om een duidelijk beeld te krijgen van de aanwezigheid van oudere vestingwerken echter valt op dat boring B03 op het binnenterrein van Bastion IX beduidend meer vondstmateriaal geeft opgeleverd. Dit is vermoedelijk toe te wijzen aan het dempen van de Middeleeuwse gracht ten tijde van de constructie van het bastion. Wel valt op te maken dat de natuurlijke bodem binnen het plangebied op verschillende diepte ten opzichte van maaiveld wordt aangetroffen. Ter hoogte van de wallen bevindt de top van de natuurlijke bodem zich op 355 cm-mv (B02) tot 490 cm-mv (B01), terwijl de natuurlijke bodem in boring B03 op een diepte van 250 cm-mv wordt aangetroffen.SelectieadviesVoorafgaand aan de geplande reconstructie van bastion VI en bastion IX is het noodzakelijk om voorafgaand aan de geplande bodemingrepen de volgende vervolgonderzoeken (wettelijke verplichting t.b.v. de omgevingsvergunning) te initiëren:1) De schetsontwerpen voor bastion VI en bastion IX te herzien en te baseren op de resultaten van het archeologisch onderzoek en aanvullend archeologisch onderzoek te verrichten door middel van enkele proefsleuven naar aanleiding van verkregen informatie van Dick Rozendaal, waaronder de luchtfoto uit 1967 met daarop Bastion IX en toegang tot de vestingwal naar de voormalige ondergrondse munitieopslagplaats. Het doel hiervan is de resultaten van het booronderzoek te controleren en de aanwezige archeologische waarden te waarderen, zodat het ontwerp zoveel mogelijk aangepast kan worden aan de daadwerkelijke historische situatie;2) Metaaldetectieonderzoek ten behoeve van het traceren van een ijzeren object (koepel?) aangetroffen op 0,6 m -mv in de ondergrond achter in de tuin van Kloosterstraat 27. Zo nodig (indien aanwezig) het vrij graven van het ijzeren object. Dit onderzoek vindt uitsluitend plaats indien het object zich daadwerkelijk in het plangebied bevindt;3) De loop en de conserveringstoestand van de oorspronkelijke kademuur te controleren door deze op meerdere plaatsen gedeeltelijk vrij te leggen; 4) Het vrijleggen van de bij het booronderzoek aangetroffen funderingen ter hoogte van boorraai 9 om te kunnen bepalen waartoe deze resten behoren of wat de functie is geweest; 5) De breedte en diepte van de traverses te controleren met behulp van proefsleuven; Tevens adviseren wij om de volgende onderzoeken te initiëren (niet wettelijk verplicht):1) De oorspronkelijke middeleeuwse stadsmuur (met muurtorens) deels op te graven en zichtbaar te maken in het ontwerp. Dit kan o.a. ter hoogte van de Ossenmarkt (boorraai 4) en in de zuidoosthoek van de vesting, waar ter hoogte van boorraai 7 een muurtoren en ter hoogte van boorraai 10 muurdelen van deze middeleeuwse vestingmuur zijn aangeboord;2) Alle begroeiing, met uitzondering van de meidoornstruiken, aan de voet van de wal te verwijderen en de ‘eilandjes’ en andere verlandingen voor de oorspronkelijke kademuur te verwijderen, zodat de oorspronkelijke strakke lijn van de vestingwal uit 1879 weer zichtbaar wordt. Deze werkzaamheden worden bij voorkeur in het bestek van de geplande reconstructie opgenomen;3) Het herplanten van iepenbomen, wilgenbomen en meidoornhagen op plaatsen waar dit vanuit historisch oogpunt gewenst is. Deze werkzaamheden worden bij voorkeur in het bestek van de geplande reconstructie opgenomen;4) De 19e eeuwse schietbaan inclusief de mobiele schietschijven opnieuw te reconstrueren om de beleving van de vesting te optimaliseren. Dit kan eventueel in de uitwerking van het DO worden meegenomen en vervolgens in het bestek van de geplande reconstructie worden opgenomen;5) Enkele affuiten met geschut (evt. replica’s) ter plaatse van de traversen te plaatsen om het karakter van Muiden als vestingstad te accentueren. Dit kan eventueel in de uitwerking van het DO worden meegenomen en vervolgens in het bestek van de geplande reconstructie worden opgenomen.Geotechnisch onderzoek De archeologische begeleiding van de geotechnische boringen in juni 2018 heeft vooral nieuwe inzichten opgeleverd over de ontstaansgeschiedenis en geologische opbouw van de bodem voordat de vesting Muiden is aangelegd. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat in het plangebied sprake is van een gecompliceerde meervoudig gestratificeerde bodemopbouw. Aan het eind van het pleistoceen is in het gebied dekzand afgezet dat vervolgens bedekt is geraakt met Basisveen. Een deel van dit veen is vervolgens opgeruimd door de Vecht of inbraken van de toenmalige Zuiderzee. De sedimenten van de Vecht en de Zuiderzee komen getand voor daar deze in open verbinding met elkaar stonden en de Zuiderzee tot in de Nieuwe Tijd sporadisch sediment heeft afgezet na dijkdoorbraken. Op basis van de resultaten van de diepe boringen zijn geen nieuwe inzichten opgedaan die van invloed zijn op de in het eerdere selectieadvies opgestelde adviezen. Hamaland Advies blijft dan ook bij de onder paragraaf 7.2 opgestelde selectieadviezen.SelectiebesluitHet conceptrapport en het selectieadvies zijn op 16 februari 2017 getoetst door mr. C. van Zanten en dhr. W. Romeijn en op 26 oktober 2017 getoetst door mw. mr. J.C. van Diest (beleidsadviseur cultureel erfgoed en welstand, afdeling Mens en Omgeving) van gemeente Gooise Meren. Behoudens enkele opmerkingen en aanvullingen die in dit definitieve rapport zijn verwerkt is de gemeente akkoord met de inhoud van het rapport. Het selectieadvies voor vervolgonderzoek door middel van proefsleuven wordt onderschreven. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat ter toetsing wordt aangeboden aan dhr. W. Romeijn van gemeente Gooise Meren. VoorbehoudHet uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouw- of reconstructiewerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet 1-7-2016, art. 5.10 en 5.11) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de RCE te Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Gooise Meren hiervan per direct in kennis te stellen.
创建时间:
2024-01-31



