five

Arcen HWBP IVO-O 230327_A22021_IVO-O_02

收藏
DataCite Commons2025-04-14 更新2025-05-10 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x63-32zt
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
1.1 Aanleiding en vraagstellingIn opdracht van Waterschap Limburg heeft Bodac B.V. een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) van Dijkring 65 te Arcen. De directe aanleiding is de aanleg en aanpassing van verschillende waterkerende werken, met name bestaande uit dijken en keermuren. Op basis van gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel, in combinatie met de verwachte verstoringen als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen, kan na afloop van het bureauonderzoek worden gesteld dat het plangebied archeologisch gezien onvoldoende is onderzocht. Er bestaat een kans op de aanwezigheid van behou-denswaardige archeologische resten in het onderzoeksgebied. Indien de bodem (grotendeels) verstoord blijkt te zijn, dan kan de archeologische verwachting voor het plangebied naar beneden worden bijgesteld. Daarom dient de staat van het bodemprofiel te worden vastgesteld door middel van een verkennend archeolo-gisch onderzoek. Het booronderzoek heeft als doel om door middel van boringen de ontstaansgeschiedenis, aard, topografie, morfologie en bodemvormende processen van de ondergrond in het plangebied in kaart te brengen. Aan de hand van de resultaten van het verkennend archeologisch booronderzoek wordt de vraagstelling, welke gericht is op de mate van intactheid van de bodem en de daarmee samenhangende archeologische potentie van het plangebied, beantwoord. Ten behoeve van het verkennend booronderzoek zijn een aantal onderzoeksvragen geformuleerd.1.2 OnderzoeksmethodiekIn algemene zin wordt voor de methodiek verwezen naar de richtlijn voor verkennend archeologisch booronder-zoek van de provincie Limburg: Verkenning PLUS.4F Dit document behelst een verzwaring van de standaard richt-lijnen in de KNA betreffende verkennend archeologisch booronderzoek. Vanwege de specifieke omstandigheden van het onderhavige plangebied wordt gedeeltelijk van deze richtlijnen afgeweken. Op basis van de deze metho-diek kan worden gesteld dat de informatiewaarde van die delen van het plangebied die (min of meer) haaks op de geomorfologische structuren geori nteerd zijn, hoger is dan die van de min of meer parallel verlopende delen. In algemene zin geldt als uitgangspunt dat een afstand tussen de boringen van 20 meter wordt gehanteerd ter plaatse van lijnelementen die (min of meer) haaks liggen op de ori ntatie van de geomorfologische eenheden. Ter plaatse van lijnelementen die (min of meer) parallel aan de geomorfologische eenheden liggen, wordt een afstand tussen de boringen van 25 meter, lokaal meer, gehanteerd. De geringe hoogteverschillen die door mid-del van het booronderzoek (onder andere) dienen te worden gekarteerd, zullen in een dergelijke projectie vrijwel geheel wegvallen. De diepte van de boringen varieert doorheen het plangebied. Op basis van de werkzaamheden wordt in algeme-ne zin uitgegaan van een boordiepte die tot 0,50 meter onder de maximale verstoring reikt. Voor de lijnelemen-ten in het plangebied houdt dat een boordiepte in die tussen 1,00 en 2,00 meter onder maaiveld valt. In de zones waar een oeverdek verwacht wordt, wordt iedere vijfde boring doorgezet tot tenminste 0,30 in de top van de terrasafzettingen. Daar waar een Dryas (rest)geul wordt verwacht, wordt 3,00 meter diep geboord.1.3 ResultatenDe resultaten van het veldonderzoek komen grotendeels overeen met het beeld dat uit de aardkundige bronnen kan worden herleid. Het trac van de toekomstige dijkversterking begint in het zuiden van het gebied relatief hoog aan de voet van de landduinen van het nationaal park Maasduinen. Niet ver van deze duinen vallen enkele boringen in een restgeul van de Maas. Tussen deze oude Maasgeul en de huidige Maas loopt het trac over een dalvlakteterras, om in het noorden weer te eindigen bij dezelfde landduinen als waar het trac startte. In litholo-gische zin is het niet mogelijk om een verschilt waar te nemen tussen de terrasafzettingen uit de verschillende perioden. Op basis van het booronderzoek kunnen enige nuanceringen in het kaartbeeld van de geomorfogenetische kaart worden voorgesteld. In het begin van de boorreeks zijn een aantal boringen gezet in het lage Dryasterras tussen twee interstadiale terrassen. In deze laagte werd volgens de kaart een Dryas geul verwacht. In boringen 23, 24 en 25 zijn resten van een dergelijke geul aangetroffen, welke eigenlijk meer naar het westen verwacht werd. Een volgende nuancering is dat in een aantal boorprofielen in de reeks 260-275 verschillende keren oeverafzet-tingen konden worden onderscheiden, waar geen oeverdek verwacht werd. De geconcludeerde aanwezigheid van oeverafzettingen in enkele van deze boringen kan door verschillende mogelijkheden verklaard worden. De boorlocaties zijn onderdeel van het hoge Dryasterras met oeverdek, het lage Dryasterras heeft hier een oever-dek, of er is sprake van een onjuiste interpretatie.Een van de boorraaien loopt over een rivierduin met oeverdek heen (boring 250-260). Deze duin komt echter niet naar voren in de ge nterpreteerde boringen. De laagte ten oosten van boring 160 wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van het lage Dryasterras, niet door de flank van een eventueel aanwezige rivierduin. De laatste nuance die aangebracht kan worden, betreft het beekdal van de Boerenhuizenlossing. Waarschijnlijk heeft deze beek ooit de natuurlijke laagte van de Dryasgeul 'gevonden' en deze als het ware overgenomen. De huidige Boe-renhuizenlossing, een zeer klein stroompje, stroomde wel onmiddellijk langs de perceelgrens die het onderzoeks-gebied als gevolg van deze beslissing begrensde. Twee boringen vallen binnen de op de geomorfogenetische kaart gerelateerde eenheid. In deze boringen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van geulaf-zettingen, noch van een vroegholocene geul, noch van de Lingsforterbeek uit latere perioden. Bij het overgrote deel van de boringen is in afwijking van de bodemkundige verwachting (hoge bruine enkeerd-gronden) een bodemprofiel beschreven dat bestaat uit een Ap-horizont van wisselende dikte (gemiddeld circa 30 centimeter), die is gevormd in de top van een dikke, (grijs)bruine zandlaag die is ge nterpreteerd als een Bw-horizont. Binnen deze laag zijn geen structuren of andere aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van een plaggendek. De hieronder aangetroffen laag is ge nterpreteerd als C-horizont. De aangetroffen bodem-profielen worden ge nterpreteerd als kalkarme ooi- of vorstvaaggronden, welke gekenmerkt worden door een relatief dunne A-horizont met een dikke Bw-horizont. Noemenswaardig is het feit dat er geen begraven bodems zijn aangetroffen. De enige locatie waar dit wel het geval lijkt, is binnen de lage Dryas terrasvlakte ten zuiden van Arcen, waar in boringen 23 tot en met 25 een humeuze tot venige horizont is aangetroffen. In 56 van de 208 uitgevoerde boringen zijn (mogelijke) archeologische indicatoren gevonden. Soms zijn deze relatief ge soleerd gevonden, zoals de puinbrokjes of houtskoolpuntjes in verschillende boringen. In verschillende boringen dichtbij de voormalige gracht rondom Arcen zijn houtskool en/of baksteen aangetroffen en zijn twee boringen gestuit. In boringen 60 en 62 zijn tevens baksteenbrokjes gevonden, maar is de eerstgenoemde boring tevens gestuit op een ondoordringbare laag waar leisteen en ijzeroer uit komt. In de boringen dichtbij de kern van Arcen zijn houtskoolpuntjes en/of puinbrokjes aangetroffen, welke vrijwel zeker gerelateerd kunnen worden aan de bewoning aldaar vanaf de Middeleeuwen. Ook is het opvallend dat er juist op en in de omgeving van de niet aangetroffen rivierduin in het noorden van het onderzoeksgebied, en ten zuiden in het verlengde hiervan, houts-koolpuntjes en/of puinbrokjes zijn aangetroffen. 1.4 Conclusie en aanbevelingenZone ADit zijn die delen van het plangebied die in de hogere terrasafzettingen van het onderzoeksgebied vallen. Hier geldt een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Mesolithicum. Het kan daarbij gaan om artefactvindplaatsen die bestaan uit een losse strooiing van (voornamelijk) vuurstenen artefacten met geringe afmetingen van slechte enkele tientallen vierkante meters, tot grotere palimpsesten die de begrenzing van het onderzoeksgebied overschrijden. Vindplaatsen uit deze periode worden verwacht vanaf het maaiveld, in de bouwvoor en in de (top van de) natuurlijke afzettingen eronder. Voor vindplaatsen uit deze periode wordt geadviseerd om deze op te sporen en te begrenzen door middel van een karterend booronderzoek. Hiervoor dienen de Leidraad voor karterend booronderzoek' n de Code van Goede praktijk' te volgen. Gezien de kwets-baarheid van de verwachte vindplaatsen adviseren wij om deze onderzoeksfase ook uit te voeren indien er enkel damwanden worden geplaatst. De vindplaatsen liggen zeer ondiep, en zullen ook door het aanleggen van bouw-wegen en/of het manoeuvreren met zware machines zoals heistellingen, zwaar beschadigd worden.Voor zone A geldt tevens een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Neolithicum. Dergelijke vindplaatsen worden gekenmerkt door een sporenniveau en een vondstlaag. Voor het noordelijke deel van het plangebied geldt een specifieke hoge verwachting voor een Romeins villaterrein en een mogelijke Ro-meinse weg. Deze verwachting blijft onverkort gehandhaafd. Vondstmateriaal van vindplaatsen uit deze periode kan worden verwacht vanaf het maaiveld tot in de bouwvoor, het sporenniveau is zichtbaar vanaf de overgang van de bouwvoor naar de onderliggend afzettingen. Als gevolg van de verbruining van deze afzettingen is het mogelijk dat een eventueel sporenniveau moeilijk leesbaar is. Nadat de onderzoeksfase voor artefactvindplaat-sen (vuursteen) is afgerond, adviseren wij daarom om het gebied te onderzoeken door middel van een proefsleu-venonderzoek bij ingrepen die verstoring van de bodem behelzen. Indien enkel damwanden worden ge
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2024-02-14
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务