five

Voorst, Westelijke Randweg Voorst N345 Rondom Voorst, Archeologisch onderzoek in tracé van de Westelijke Rondweg Voorst N325

收藏
DataCite Commons2025-02-20 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-xma-utny
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Tot voor kort liep de rijksweg N345 van Apeldoorn naar Zutphen door de dorpskern van Voorst. Het drukke verkeer op deze route zorgde voor de nodige overlast. Om de dorpskern van Voorst te ontlasten heeft de provincie Gelderland besloten tot de aanleg van een rondweg om Voorst. Uiteindelijk is hierbij gekozen voor een tracé aan de westzijde van Voorst.Omdat de aanleg van de weg gepaard zou gaan met ingrijpend graafwerk waarbij eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord zouden worden is al in een vroeg stadium archeologisch onderzoek verricht. Uit deze onderzoeken bleek dat delen van het plangebied een hoge verwachting hadden op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf het neolithicum tot de late middeleeuwen. Deze hoge verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van een plaggendek dat oudere resten kan hebben behoed voor verstoring. De kans op oudere resten uit het paleolithicum of mesolithicum werd klein geacht vanwege de afwezigheid van intacte oudere bodems. Naar aanleiding van het vooronderzoek zijn vijf locaties, de vindplaatsen 1 tot en met 5, gekenmerkt door een hoge landschappelijke ligging en de aanwezigheid van een intact plaggendek, aangewezen voor nader onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd tussen 6 november 2017 en 28 juni 2018 door BAAC in opdracht van de Provincie Gelderland en F.L. Liebregts BV.Het plangebied bevindt zich in het IJsseldal nabij de hoger gelegen Oostelijke Veluwe-stuwwal. Dit dal heeft zich gevormd gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien (200.000 – 130.000 jaar geleden). Het dal is in feite een gletsjerbekken, ontstaan door het oprukkende landijs. In dit dal werden in de voorlaatste ijstijd door verstuiving van zand ruggen en welvingen op de fluvioperiglaciale afzettingen afgezet.In de loop van het Laat-Holoceen (vanaf circa 500 jaar BC) werd de invloed van de Rijn in het zuidelijke deel van het IJsseldal groter. Overstromingen in het rivierengebied zorgden voor steeds verder stroomopwaartse opstuwing van water in de lokale beken in het IJsseldal. Deze voortdurende opstuwing heeft rond circa 550 AD geleid tot de doorbraak van de dekzandrug tussen Zutphen en Deventer. Als gevolg van een toename van de watertoevoer vanuit de Nederrijn, ontwikkelde zich één enkele meanderende geul; de Gelderse IJssel.Uit onderzoek is gebleken dat de oudste kleiafzettingen van de IJssel ter hoogte van Zwolle pas uit de 10de eeuw na Chr. dateren, terwijl deze ter hoogte van Voorst uit de periode tussen 500 en 700 na Chr. dateren.Traditioneel wordt het ontstaan van de Voorster Enk verklaard vanuit het langzaam ophogen ten gevolge van plaggenbemesting. Deze plaggen zouden gestoken worden op de omringende heidevelden en, na verrijking met mest door het uitspreiden van de plaggen in potstallen, vervolgens zijn uitgereden over de akkers. Uit het fysisch-geografisch onderzoek, en met name door het inzetten van textuuranalyses en micromorfologisch onderzoek, is echter gebleken dat het humeuze dek, dat eerder als plaggendek is geïnterpreteerd, een vrij hoog gehalte aan klei- en siltdeeltjes bevat. Uit het verhoogde kleien siltgehalte is geconcludeerd dat de ophoging van de Voorster Enk niet het gevolg is van plaggenbemesting, maar dat het hier in wezen gaat om een natuurlijk gevormd oeverdek van de IJssel, ontstaan door afzetting van sediment bij hoge waterstanden waarbij de lagere dekzandgronden rond Voorst overstroomden. Het hoge humusgehalte en vondstmateriaal in het pakket wijst er wel op dat daarnaast de bodem ook verrijkt werd door het opbrengen van organische bemesting en/of nederzettingsafval. De vorming van het oeverdek begon met het ontstaan van de IJssel rond 550 en zette zich voort gedurende de hele middeleeuwen, ook nog na de eerste bedijking van de IJssel in de 14e eeuw.Op de vijf onderzochte vindplaatsen zijn archeologische resten uit het neolithicum tot in de nieuwe tijd aangetroffen. Aanwijzingen voor bewoning en anderszins gebruik van het plangebied voor het neolithicum en vroege bronstijd zijn nog schaars, het gaat hier voornamelijk om enkele verspreid aangetroffen fragmenten aardewerk. Uit de vroege bronstijd dateert de vondst van een wikkeldraadpot- of -beker. De context van deze vondst is onduidelijk; een grondspoor is niet waargenomen.Sporen en vondsten uit de midden-bronstijd zijn wel veelvuldig aanwezig. Op de vindplaatsen 3, 4 en 5 zijn clusters silo- of opslagkuilen uit deze periode aangetroffen. De kuilen werden vermoedelijk gebruikt om zaaigoed te bewaren voor het volgende jaar. Geassocieerde nederzettingssporen als paalkuilen zijn niet aangetroffen.Uit de late bronstijd dateren alleen drie (urn)graven op vindplaats 3, een vierde crematiegraf moet waarschijnlijk in de midden-bronstijd gedateerd worden. Ook uit deze periode missen nederzettingssporen.Uit de aansluitende vroege ijzertijd komen de eerste daadwerkelijke nederzettingssporen. Op vindplaats 1 is een huisplattegrond van het overgangstype Hijken en een aantal spiekers aangetroffen, op vindplaats 4 een aantal spiekers. Uit de hierop volgende perioden, de midden- en late ijzertijd, zijn vrijwel geen sporen of vondsten aangetroffen. Aangezien uit de directe omgeving wel vondsten uit deze periode zijn aangetroffen betekent dit echter niet dat het gebied destijds verlaten was.Pas uit de midden-Romeinse tijd zijn in het plangebied weer sporen van bewoning gevonden. Op vindplaats 3 lagen één of twee erven op de flank van een dekzandrug. Het meest compleet aangetroffen erf bestond uit een hoofdgebouw, een schuur, een aantal kleinere bijgebouwen zoals spiekers en twee waterputten. Van het mogelijke tweede erf werden alleen een waterput en twee spiekers aangetroffen, de rest van dit erf zal zich buiten het onderzoeksgebied bevinden. Op vindplaats 5 is uit de zelfde periode de periferie van een nederzetting opgegraven aan de rand van het dal van de Voorster beek. De aangetroffen resten bestaan slechts uit drie hutkommen en twee spiekers. Met name de hutkommen leverden veel vondstmateriaal op, waaronder ijzerslakken die wijzen op de productie van ijzer.Circa 400 m ten noordwesten van de nederzetting op vindplaats 3 werd op vindplaats 2 een klein grafveld aangetroffen, bestaande uit acht crematiegraven. De graven bestonden uit kuilen waarin het verbrande bot gescheiden van de brandstapelresten werd bijgezet. Tot de meeverbrande bijgaven behoren aardewerk, fibulae, benen kammen en glas. Grafveld en nederzetting lijken gelijktijdig in gebruik te zijn geweest en het ligt dus voor de hand aan te nemen dat de bewoners van de nederzetting op vindplaats 3 hun doden bijzetten op het grafveld.Na de Romeinse tijd volgde een periode van ogenschijnlijke inactiviteit binnen het onderzoeksgebied. Deze periode stopt met de middeleeuwse bewoning op vindplaats 1. Hier zijn drie erven aangetroffen, daterend uit de 9e en de eerste helft van de 10e eeuw. Elk van de erven bestaat uit een al dan niet bootvormig hoofdgebouw vergezeld van bijgebouwen als schuren en een roedenberg, diverse waterputten en vele hutkommen. Hoewel de dateringen van de drie erven elkaar overlappen, is er mogelijk sprake van één erf dat twee keer herbouwd is. De jongste van de erven is vermoedelijk in het begin van de 10e eeuw verlaten, getuige de vondst in één van de paalkuilen van een sieraad waarin een Arabische dirham, geslagen in 899/900 in Tasjkent, is gevat.Aan het eind van de 11e eeuw verschijnt in het aangrenzende delen van de vindplaatsen 4 en 5 sporen van bewoning in de vorm van twee erven.Het erf op vindplaats 4 bestaat uit een bootvormige huisplattegrond type Gasselte, vergezeld van twee roedenbergen, drie kleinere structuren en twee waterputten. Het hoofdgebouw kan in de gehele 12e eeuw gedateerd worden, het aardewerk uit één van de waterputten en de kleinere structuren preciseert deze datering in de tweede helft van de 12e eeuw. Het erf op vindplaats 5, gescheiden van vindplaats 4 door de huidige Klarenbeekseweg, bevindt zich circa 30 meter noordoostelijker. Dit erf bestaat eveneens uit een bootvormige huisplattegrond type Gasselte, een groot bijgebouw, zeven roedenbergen en mogelijk vier waterputten. Het aardewerk uit de sporen behorend tot het erf wijst op een datering van het erf in de (tweede helft van de)12e eeuw. Uit de dateringen volgt dat de erven waarschijnlijk tegelijkertijd bewoond werden, hoewel niet uitgesloten kan worden dat zij elkaar opvolgen.Op vindplaats 4, overlappend met het middeleeuwse erf, zijn sporen van een erf uit de nieuwe tijd aangetroffen. De sporen bestaan uit een muurfragment van circa 6 meter lang, een vierkant muurwerk van een klein bijgebouw, een waterput met bakstenen mantel en een bijgebouw met ingegraven houten palen. Een aantal diergraven, gelegen op enige afstand van de genoemde structuren, moeten waarschijnlijk ook tot dit erf worden gerekend. De datering van de structuren loopt uiteen van het midden van de 17e eeuw tot in de 19e eeuw. De sporen kunnen gerelateerd worden aan het historische erf “het Holtwijk”. Het erf, deel uitmakend van het gelijknamige buurschap, staat aangegeven op de kadastrale kaart van 1811-1832, een opvolger van het erf bevindt zich heden ten dage nog vlak buiten het plangebied.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2024-12-17
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务