Plangebied Waterleiding Bouwerschapweg te Woltersum
收藏DANS Data Station Archaeology2020-11-29 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-X3U-B946
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Uit de resultaten van het booronderzoek is gebleken dat de bodem binnen het grootste deel van het plangebied wordt gevormd door getij-afzettingen bestaande uit (blauw)grijze zwak tot matig siltige klei met roestvlekken, zandlaagjes en plantenresten, waarvan de top veelal zwak humeus is. In boringen 7, 10 en 16, verspreid over het tracé gelegen, zijn in de getij-afzettingen, op een diepte tussen 0,45 en 0,75 m –mv (1,38 en 2,21 m –NAP), vegetatieniveaus aangetroffen. In boringen 3 en 6 zijn, op een diepte van respectievelijk 1,45 en 1,5 m –mv (2,35 en 2,73 m –NAP), (mogelijk overslibde) oude slootbodems aangetroffen. In boring 4 is, op een diepte van 0,45 m –mv (1,38 m –NAP), een wierdelaag met daarin houtskool, puin en laatmiddeleeuws aardewerk, aangetroffen. De wierdelaag reikt tot een diepte van 1,05 m –mv (1,98 m –NAP). Hoogstwaarschijnlijk houden zowel de oude slootbodems als de aangetroffen wierdelaag verband met de wierde die wordt aangegeven op de bodemkaart en archeologische verwachtingskaart, waarbij de slootbodems mogelijk behoren tot een ringsloot die zich om de wierde heeft bevonden. Dit beeld komt overeen met het AHN waarop zichtbaar is dat boring 4 zich op een hoger gelegen perceel bevindt en boringen 3 en 6 gelegen zijn in de lager gelegen percelen aan weerszijden hiervan bevinden.</p><p>Uit de resultaten van het booronderzoek is gebleken dat er binnen het tracé een duidelijke tweedeling in de bodemopbouw aanwezig is. In het deel van het tracé (ter plaatse van de boringen 1 t/m 19) dat zich aan de (zuid)oostzijde van de Kollerijweg bevindt, betreft het getij-afzettingen bestaande uit zwak en matig siltige klei met enkele zandlaagjes. In de boringen 10, 12 en 14 zijn de kleiafzettingen deels sterk zandig gelaagd. Op het AHN is zichtbaar dat ter plaatse van de boringen 10 en 12 een kopje/getijruggetje aanwezig is, waardoor de sterk zandige gelaagdheid kan worden verklaard. Ter plaatse van boring 14 is een dergelijke hoogte niet zichtbaar. In het overgrote merendeel van deze boringen zijn in de klei-afzettingen, op een diepte tussen 0,4 en 1,25 m -mv (1,44 en 1,95 m –NAP), vegetatielaagjes aangetroffen. In een groot aantal van deze boringen is onder de kleiafzettingen, op een diepte tussen 1,0 en 1,95 m –mv (2,41 en 3,19 m –NAP), veen aangetroffen. Bij boring 11 is vermoedelijk een oude perceelsloot aangeboord. De overwegend zwaardere klei-afzettingen en de aanwezigheid van veen in de ondergrond strookt met het beeld op het AHN dat dit deel van het tracé zich in een (lager gelegen) vlakte van getij-afzettingen dan wel deels op de flank van de getij-inversierug bevindt. Ook de aanwezigheid van de vegetatielaagjes duidt hierop. Op basis van de archeologisch bekende gegevens uit dit gebied blijkt dat het overgrote merendeel van de nederzettingen op de hoger gelegen delen van de getij-inversieruggen lagen, de lager gelegen delen zullen als akker, gras- en/of hooiland zijn gebruikt. In het deel van het tracé (ter plaatse van de boringen 20 t/m 34) dat zich aan de (noord)westzijde van de Kollerijweg bevindt, bestaat de bodem uit sterk zandig gelaagde getij-afzettingen (zwak en matig siltige klei). In de boringen 33 en 34, aan de uiterste noordzijde van het tracé, zijn tevens (mariene) zandlagen aangetroffen. In tegenstelling tot de boringen in het lager gelegen deel van het tracé, is in slechts een klein aantal van deze boringen veen aangetroffen onder de getij-afzettingen en is enkel in boring 20 in de (zwak siltige) klei, op een diepte van 0,5 m –mv (1,3 m –NAP), een vegetatielaagje aangetroffen. De zandige afzettingen en het grotendeels ontbreken van vegetatielaagjes en veen komt overeen met het beeld op het AHN dat zich hier de top van de getij-inversierug bevindt. In boringen 33 en 34 zijn direct onder de bouwvoor, op een diepte van respectievelijk 0,4 en 0,25 m –mv (1,09 en 0,82 m –NAP), wierdelagen waargenomen, waarin zich fosfaatvlekken, verbrande leem, puin en laatmiddeleeuws aardewerk bevindt. Daarnaast is in boring 32 op een diepte van 0,8 m –mv (1,81 m – NAP) een “vuile” laag met puinsporen aangetroffen, deze laag is geïnterpreteerd als vermoedelijke wierdelaag. De aangetroffen wierdelagen houden zeer waarschijnlijk verband met de direct ten noordoosten aanwezige wierde van Wittewierum (AMK-monumentnummer 318), boringen 32 t/m 34 vallen precies binnen de begrenzing van de wierde zoals aangegeven op de bodemkaart en de archeologische verwachtingskaart. De wierdelagen reiken tot een diepte tussen 0,65 en 1,4 m –mv (1,22 en 2,21 m –NAP), hieronder bevinden zich de natuurlijke getij-afzettingen.</p>
提供机构:
RAAP BV
创建时间:
2020-02-17



