Plangebied Justitieel Centrum Vlissingen (JVC) te Vlissingen, gemeente Vlissingen. Een archeologische opgraving. Plangebied Justitieel Centrum Vlissingen (JVC) te Vlissingen, gemeente Vlissingen. Een archeologische opgraving.
收藏DataCite Commons2026-05-06 更新2026-05-10 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/X9CYBO
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Inleiding In opdracht van de gemeente Vlissingen heeft RAAP van 9 tot en met 25 september 2024 een archeo-logische opgraving uitgevoerd. De aanleiding voor dit onderzoek is de aanstaande ontwikkeling van het plangebied. Binnen (de omgeving van) het plangebied worden het Justitieel Centrum Vlissingen (JCV) en een stadslandgoed gerealiseerd. Voor een goede toegang tot het JCV moet de huidige Havenweg verbreed worden. Het voornaamste doel van het onderzoek was het veiligstellen van de wetenschappe-lijke informatie (behoud ex situ) van een deel van de behoudenswaardige vindplaats binnen het plange-bied.<br>Landschap Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied op hoofdlijnen uit drie laagpakketten be-staat, die alle drie aan verschillende paleogeografische vensters gerelateerd kunnen worden. De licht-blauwe kleilaag aan de basis van het profiel wordt geïnterpreteerd als het Laagpakket van Wormer. Deze kleilaag hoort bij het dynamische deltalandschap tussen 3500 en 2750 voor Chr. waarin grote de-len van de Nederlandse kust bestonden uit een uitgestrekt getijdengebied. Rond 2750 voor Chr. ont-staan strandwallen ten westen van het plangebied, waarmee de kust een geheel ander karakter kreeg. Door de strandwallen en duinen werd de invloed van het getij aanzienlijk minder. De afwatering van het gebied achter de kustgordel nam daardoor af. Het waddenmilieu verzoette en veranderde in een uitge-strekt moeras. Rond 1500 voor Chr. was deze transformatie compleet. Dit veenlandschap is herkend in de tweede lithologische laag; het Hollandveen Laagpakket. Bewoning van het veengebied in de Ro-meinse tijd is op veel plaatsen in Zeeland aangetoond. Het veen was blijkbaar voldoende ontwaterd door getijdenwerking via geulen die diep het achterland indrongen, ver achter de kustgordel. Er zijn sterke aanwijzingen dat de bewoners van Zeeland in de Romeinse tijd daar ook een bijdrage in hadden. De mariene invloed op het veengebied start in Noord-Walcheren al vroeger en archeologisch onder-zoek heeft aangetoond dat in de Romeinse tijd al watermanagement in de vorm van dijken, podia, ter-pen en sloten heeft plaatsgevonden. In het plangebied is de top van het veen echter sterk geërodeerd, door een laag klei van het Laagpakket van Walcheren. Deze derde lithologische laag wordt gerelateerd aan de post-Romeinse transgressie, waarbij het hele veenlandschap erodeert en wordt afgedekt: Zeeland verandert weer in een actief getijdenlandschap. In de middeleeuwen wordt gestart met het aanleggen van dijken en polders, Zuid -Walcheren zal nog dikwijls overstromen door dijkdoorbraken en inundaties, maar dit resulteert niet in omvangrijke afzettingslagen. Wel wordt in Zeeland in de late mid-deleeuwen en nieuwe tijd op grote schaal veen gewonnen voor zoutproductie (moer- of selnering) waardoor dekafzettingen van Laagpakket van Walcheren en de top van het Hollandveen op veel plaat-sen zijn vergraven.<br>Archeologie De aard van de vindplaats was bij het waarderend proefsleuvenonderzoek niet geheel duidelijk. Voor-alsnog werd uitgegaan dat op de vindplaats veenwinning plaats heeft gevonden en dat plaggen die in een kweldergebied zijn gestoken hierin terecht zijn gekomen. Vanwege het ontbreken van vondstmate-riaal of duidelijke sporen en structuren was een nederzettingsterrein al geen plausibel complextype. De vindplaats had meer de karakteristieken van een economisch complextype, bijvoorbeeld grond(stof)win-ning. De opgraving van een deel van de vindplaats zou dan mogelijkheid kunnen bieden om meer informatie over de aard van de vindplaats te verzamelen. Tijdens het veldwerk werden de sporen uit de proefsleuven ook veel gedetailleerder in kaart gebracht. Daaruit is gebleken dat de vindplaats bestaat uit een systematisch geheel van langwerpige kuilen die min of meer haaks op een noord-zuid georiën-teerde greppel zijn aangelegd, waarvan een sterk vermoeden bestaat dat deze een antropogene oor-sprong heeft. De kuilen zijn bijna allemaal dicht gegooid met grote plaggen, waarvan de top bestaat uit een kleilaag. Deze kleilaag maakte een datering in de Romeinse tijd enigszins onduidelijk. Immers, klastische afzettingen zouden pas na de Romeinse bewoning zijn gevormd (laat Romeinse tijd ca. 300 na Chr. of vroege middeleeuwen; 4e-5e e eeuw na Chr.). Bij gebrek aan dateerbaar vondstmateriaal zijn verschillende monsters genomen om het veen en de afdekkende kleilagen te dateren.<br>Het intensief dateringsprogramma heeft aangetoond dat het veen is ontstaan in het laat neolithicum. Op basis van dateringen uit de plaggen is bepaald dat er een einde kwam aan de veengroei rond het begin van de jaartelling. Aan het eind van de derde eeuw is de humeuze kleilaag afgezet. Het tijdsven-ster voor de aanleg van de kuilen is daarmee betrekkelijk kort (150-250 na Chr.), omdat ook in de 3e -4e eeuw het dikkere Laagpakket van Walcheren wordt gevormd. Deze laag dekt alle andere sporen af, waardoor het niet mogelijk is dat middeleeuwse structuren of vondsten deel uitmaken van de vind-plaats.<br>De functie van de vindplaats is daarmee evident; er is in de midden Romeinse tijd op grote schaal veen gewonnen. Waarvoor is minder duidelijk, maar de opties brandstof en of bouwmateriaal zijn het meest voor de hand liggend en hoeven elkaar ook helemaal niet uit te sluiten. Ook is duidelijk dat de vind-plaats is ontstaan enkel voor dit zeer specifieke doel: veenwinning. Er zijn binnen het plangebied geen enkele andere aanwijzingen voor activiteiten als akkerbouw, of een direct aangrenzend nederzettings-terrein. Wel zijn in de omgeving (woon-)podia en haardplaatsen bekend uit de Romeinse tijd(vindplaat-sen C en RAAP-3), deze staan hoogstwaarschijnlijk wel in relatie met elkaar.<br>Door het intensieve dateringsonderzoek is tevens een belangrijke bouwsteen aan de paleogeografie toegevoegd, want het veen in Zuid-Walcheren is al vroeg ontwaterd, en ook al in de vroeg tot midden Romeinse tijd afgedekt met een laag klei. De grote invloed van een getijdengebied en de voorloper van de Honte (en uiteindelijk de Westerschelde) op het veenlandschap is daarmee aangetoond. De omvang van een dergelijk estuarium is op de paleogeografische kaarten nog sterk hypothetisch en bescheiden, de opgravingsresultaten geven mogelijk genoeg argumenten om dit gebied wat omvangrijker af te beel-den op toekomstige actualisaties van het late ijzertijd en Romeinse landschap.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-05-06



