Utrecht - Mineurslaan (Westflank Noord, fase 2 en fase 3B/C)
收藏DANS Data Station Archaeology2021-07-26 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZUU-PGFX
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In het kader van de ontwikkeling van het stationsgebied in Utrecht, Westflank-Noord fase 2 en 3, is een parkeergarage gepland en zijn enkele panden langs de Van Sijpesteijnkade gesloopt. Omdat uit vooronderzoek was gebleken dat daarbij archeologische waarden verstoord zouden worden heeft BAAC in opdracht van Wessels Zeist bv deze werkzaamheden tussen 7 januari en 28 mei 2019 begeleid.</p><p>Uit het fysisch geografisch onderzoek blijkt dat het plangebied zich binnen de meandergordel van de Oude Rijn bevindt. In het zuidelijke deel is een met oeverafzettingen afgedekte zandige kronkelwaard aangetroffen. Lokaal komen nog intacte ooivaaggronden voor. In de top van het (door een oeverdek afgedekte) zandpakket is een loopniveau uit de late ijzertijd/Romeinse tijd waargenomen. Dit oud-oppervlak loopt geleidelijk aan af van maximaal 1,3 m +NAP op de hogere delen in het zuidelijke deel van het plangebied tot circa 0,3 m +NAP op de dan vermoedelijk dichtgeslibde restgeul van de Oude Rijn. Deze restgeul beslaat het gehele noordelijke deel van het plangebied. De OSL-datering van een jongste pakket hoogenergetische beddingzanden toont aan dat de noordelijke randzone van de Oude Rijn een laatste fase van grootschalige fluviatiele activiteit heeft gekend gedurende de late bronstijd tot midden-ijzertijd. Na deze periode voert de noordelijke riviertak van de Oude Rijn geleidelijk aan steeds minder water af wat leidt tot de uiteindelijke dichtslibbing van de restgeul. De dichtslibbing van de noordelijke restgeul lijkt rond de late prehistorie/Romeinse tijd gerealiseerd te zijn.</p><p>Het oud-oppervlak uit de late prehistorie/Romeinse tijd wordt op de lagere delen van de kronkelwaard afgedekt door een pakket vroeg- tot volmiddeleeuwse kalkrijke oeverafzettingen. Op de hogere plekken is het laatprehistorische niveau vanwege de hogere ligging ten opzichte van NAP en aftopping deels verdwenen.</p><p>De relatief natte omstandigheden voor het grootste deel van het plangebied verklaren waarom geen archeologische sporen uit de late prehistorie/Romeinse tijd en de middeleeuwen zijn aangetroffen. Het uiterst zuidelijke deel was wel een gunstige locatie voor bewoning. Hier zijn echter alleen enkele vondsten gedaan uit de late prehistorie en geen sporen gevonden. Mogelijk dat eventuele sporen verdwenen of niet zichtbaar waren als gevolg van bodemvormende processen (bioturbatie, verbruining).</p><p>Op historische kaarten is te zien dat het onderzoeksterrein, gelegen in de voorstad Buiten Catharijne, tot het eind van de 17e eeuw onbebouwd was. Pas toen in 1664 enkele moesgrachten werden gegraven in het kader van het Plan Moreelse kon het tot dan toe drassige gebied ontwikkeld worden. Op de kadastrale minuut van 1832 staan voor het eerst huizen aangegeven in het noordelijke deel van het plangebied. In de jaren ‘40 van de 19e eeuw komt het terrein aan het spoor te liggen. Vanaf die periode gaan de ontwikkeling van het spoor en die van het terrein hand in hand.</p><p>De sporen en structuren die bij het archeologische onderzoek zijn aangetroffen, waaronder greppels, kuilen, paalsporen, waterputten, poeren, muren, sloten en waterkelders, dateren in de late nieuwe tijd. De meeste hebben te maken met de waterhuishouding van het terrein. Zo zijn twee haaks op elkaar staande beschoeide sloten gevonden die het overtollige water van het station richting de Leidsche Vaart afvoerden. Een van deze sloten is gefaseerd gedempt. Uiteindelijk verdwijnen deze sloten rond 1930, als ook de moesgrachten gedempt worden, helemaal. Het watermanagement wordt dan overgenomen door een systeem van leidingen, overloopputjes en waterkelders/-bakken.</p>
提供机构:
BAAC
创建时间:
2021-05-11



