Transect-rapport 503: Archeologisch inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Warstiens - Buorren 1, Gemeente Leeuwarden (FR)
收藏DANS Data Station Archaeology2014-09-03 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZAP-UZNF
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Samenvatting</p><p>Transect heeft op 2 september 2014 zes verkennende boringen gezet op het perceel aan de Buorren 1 in Warstiens (gemeente Leeuwarden; zie figuur 1). Aanleiding is een omgevingsvergunningprocedure in het kader van een nieuwe in-/uitrit, de aanleg van een moestuin, en het aanbrengen van oppervlakteverharding. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen in hoeverre in de ondergrond van het plangebied nog sprake kan zijn van archeologische waarden, die door de geplande aanleg kunnen worden verstoord.</p><p>Uit het booronderzoek blijkt dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van duidelijke terplagen of fosfaatrijke lagen. De bodem in het plangebied bestaat uit recente ophogingslagen op kwelderklei, die op rietveen (Hollandveen) ligt. De top van de kwelderklei ligt in de boringen tussen 10 cm en 113 cm –Mv (boring 4 en 3). Het bovenste deel van de kwelderklei is siltiger (in boring 61 zwak zandig) dan het onderste deel. Bovendien komen in het onderste deel laklagen voor (natte bodems die ontstaan op de grens van het droge, boringen 2 en 5). Deze situatie sluit aan bij een kweldervlakte waarop zich een kwelderrug heeft ontwikkeld. Vermoedelijk is de kwelderklei tussen 750 voor Chr. en 50 na Chr. afgezet (Duinkerke IB), mogelijk eerder tussen 1700-750 voor Chr. (Duinkerke IA). </p><p>Op basis van het booronderzoek worden de schadelijke gevolgen voor wat betreft archeologie, als laag ingeschat. Mogelijk dat het aanbrengen van verharding in de vorm van betonplaten een lichte inklinking/samendrukking van de bovenste bodemlagen kan veroorzaken. De vraag is echter of het schadelijke effect hiervan op eventueel ondergelegen archeologische waarden (die met het booronderzoek niet konden worden aangetoond) als excessief moet worden beschouwd. Een tweede mogelijk negatief effect van de verharding met betonplaten is, dat de hieronder gelegen bodem kan/gaat verstikken. Hierdoor kunnen eventuele archeologische grondsporen vervagen en archeologisch onleesbaar worden. Ook hier is het gezien de resultaten van het booronderzoek de vraag of de verwachte effecten hiervan als ‘excessief’ moeten worden beschouwd. In het plangebied zijn immers geen terplagen of fosfaatrijke kleilagen met houtskool of vondstmateriaal waargenomen. </p><p>Laat onverlet dat tijdens het vrezen van de moestuin vier fragmenten aardewerk (3 wandfragmenten en 2 randfragment) en een maalsteenfragment (van tefriet) uit de IJzertijd-Romeinse tijd zijn ‘opgeploegd’. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat ze uit een terplaag in de randzone van het plangebied (langs de Buorren) afkomstig zijn of uit een grondspoor (bijv. een greppel- of putvulling).</p><p>Advies</p><p>Alles overwegende wordt geadviseerd om de verharding te gedogen. Er zijn in de boringen geen aanwijzingen voor substantiële archeologische waarden ter hoogte van de verhardingen aangetroffen. Om deze reden wordt het verstorend effect hiervan op eventueel aanwezige archeologische waarden als laag ingeschat.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2014-09-04



