five

(51028881-002) Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek Van Golsteinlaan 20 te Ugchelen

收藏
DataCite Commons2026-02-16 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/JDAQVE
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Gespecificeerde archeologische verwachting</p><p> Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen een van zuidwest naar noordoost aflopende glooiing van hellingsafspoelingen/daluitspoelingswaaier ligt, dichtbij het stuwwallengebied van de Veluwe. Tevens ligt het uiterst zuidoostelijke deel van plangebied binnen/heeft het plangebied een ligging langs een droog dal.</p><p> Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. Het plangebied heeft duidelijk een ligging binnen een gradiëntzone. Mogelijk dat tijdens de Steentijd periode nog sprake was van een watervoerend beekdal binnen het droog dal, als voorloper van de Ugchelerbeek, waarmee drinkwater op korte afstand bereikbaar/beschikbaar was. Booronderzoek binnen AMK-terrein 160, waar het meest noordelijke deel van het plangebied toe wordt gerekend, heeft geresulteerd in het aantreffen van een mesolithische trapezium-vormige spits van vuursteen. Er geldt daarom een hoge verwachting voor de perioden Laat Paleolithicum t/m het Midden Neolithicum.</p><p> Voor Landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Laat Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. De mineralogisch rijke bruine zanden en moderpodzolbodem, welke mogelijk binnen het plangebied voorkomen in de top van de hellingsafspoelingen/daluitspoelingswaaierafzettingen, hebben een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en daardoor een aantrekkelijke vestigingslocaties gevormd voor Landbouwers. De verder, van nature, voldoende ontwaterde gronden op de glooiing van hellingafspoelingen/daluitspoelingswaaier waren geschikt voor het verbouwen van gewassen. Ter hoogte van het deel van de provinciale weg Hoenderloo-Apeldoorn (Otterloseweg) gelegen direct langs AMK-terrein 160 is een nederzetting uit de Trechterperi-ode aangetroffen. Naast vondsten uit de Trechterbekerperiode zijn ook aardewerkfragmen-ten uit de IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen en ijzerslakken aangetroffen. Ook tijdens het hierboven genoemde booronderzoek binnen AMK-terrein 160 zijn vondsten gedaan uit de Trechterbekerperiode en IJzertijd. Verder zijn in de omgeving van het plangebied archeologische waarden bekend die wijzen op de aanwezigheid van grafheuvels/grafresten uit het Neolithicum en de periode Bronstijd - Romeinse tijd. De archeologische verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m de Romeinse tijd is dan ook hoog tot zeer hoog voor het noordelijke deel van het plangebied.</p><p>   In de Vroege Middeleeuwen ligt de bebouwing vaak op een andere, dichtbij de huidige kern gelegen locatie dan de uiteindelijke laatmiddeleeuwse dorpen. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal voor de voedselvoorziening van de inwoners. De bewoning concentreert zich in de Late Middeleeuwen in dorpen en bewoningsclusters. In de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd is een hogere landschappelijke ligging van het gebied niet meer bepalend voor het bewoningspatroon. Het plangebied heeft oorspronkelijk deel uitgemaakt van het buurtschap/flankesdorp Ugchelen, welke aan het einde van de 8e voor het eerst schriftelijk wordt genoemd onder de naam ‘Orela’. Beschikbaar gedetailleerd historisch kaartmateriaal vanaf het begin van de 19e eeuw laat zien dat in de zuidoostelijke helft van het plangebied meerdere historische boerenerven hebben gestaan. Tevens mag verwacht mag worden dat er sprake is geweest van middeleeuwse voorlopers. Dit deel van het plangebied maakt ook deel uit van AMK-terrein 12849, waar sporen van nederzettingscomplexen/huisplaatsen kunnen worden verwacht daterend vanaf de Vroege Middeleeuwen. Reeds uitgevoerd gravend onderzoek ter plaatse van het bestaande parkeerterrein en het noordoostelijke deel van het bestaande Van der Valk hotel heeft ook al geresulteerd in het aantreffen van delen van drie plattegronden van gebouwen en een spieker uit de Volle Middeleeuwen en twee waterputten uit de Late Middeleeuwen. Dit onderzoek heeft tevens prehistorische bewoningssporen opgeleverd. Ook is door de AWA een vroegmiddeleeuwse aardewerkvondst gedaan of net binnen het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied, dan wel direct langs de zuidwestelijke grens van het plangebied. De noordwestelijke helft van het plangebied maakte deel uit van de Ugchelse enk (oud bouwlandcomplex). Zowel binnen het oud bouwlandcomplex als direct rondom boerenerven (moestuinen e.d.) zal sprake zijn geweest van plaggenbemesting/het opbrengen van een humeus/vruchtbaar dek. </p><p> Tevens staat het gebied bekend om zijn ijzerindustrie, welke vanaf de Middeleeuwen ontstond (in de breedte wordt de 7e tot 12e eeuw aangehouden). Het gebied ten zuiden en noordwesten van Ugchelen, met name het bosrijke gebied van Bruggelen of Engelander-holt, Spelderholt en het Orderbos, staat bekend om zijn vele ijzerwinkuilen (feitelijk kuilen waaruit klapperstenen werden verzameld) en dat er veel ijzerwinning uit klapperstenen plaatsvond. Dit resulteerde in het overblijven van veel metaalslakken van de ijzerbewerking, in de vorm van afvalslakkenhopen. Deze afvalhopen bevinden zich meestal in de omgeving van de ijzerwinkuilen. Dichtbij het plangebied zijn ook al afvalslakkenhopen aangetroffen. Voor het plangebied is de verwachting dan ook hoog tot zeer hoog (de centrale en oostelijke delen/zuidoostelijke helft van het plangebied) op het voorkomen van archeologische resten en (bewonings)sporen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.</p><p> Conclusie en advies</p><p> Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Op basis van de landschappelijke ligging en de historische ontwikkeling van het plangebied, als ook aangetroffen archeologische waarden binnen/nabij het plangebied, heeft het plangebied een hoge tot zeer hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen voor alle perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Het meest noordelijke deel/de noordelijke agrarische strook van het plangebied ligt binnen een beschermd archeologisch monument (AMK-terrein van zeer hoge archeologische waarde en tevens beschermd). Dit zijn monumenten van oudheidkundige betekenis die op grond van de criteria kwaliteit, zeldzaamheid, contextwaarde zijn aangewezen als behoudenswaardig en beschermd worden ex artikel 6 (of 4) van de Monumentenwet. Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.</p><p>   De initiatiefnemer heeft vooralsnog het voornemen om binnen het plangebied een drietal deellocaties te herontwikkelen (de aangeduide deellocaties A, B en D). Deze locaties liggen niet binnen bovengenoemd beschermd archeologisch monument. Geadviseerd wordt binnen de te herontwikkelen deellocaties een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen te laten uitvoeren. Verspreid binnen de deellocaties dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. </p><p> Selectiebesluit</p><p> De bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn) stemt grotendeels in met de conclusies van het door Sweco uitgevoerde bureauonderzoek. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Het archeologische vervolgonderzoek kan, zoals geadviseerd, in eerste instantie in de vorm van een verkennend booronderzoek plaatsvinden. </p><p> Omdat sprake is van (hoge tot) zeer hoge archeologische verwachtingen én omdat sprake is van reeds bekende vindplaatsen, kan ook gekozen worden om direct een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De kans is namelijk reëel dat het verkennend booronderzoek en het daaropvolgende selectiebesluit leiden tot de noodzaak voor meer archeologisch onderzoek. </p><p> Door het verkennend booronderzoek over te slaan kunnen wellicht kosten en tijd bespaard worden. Een verkennend booronderzoek als tweede stap (of tussenstap) in het archeologisch onderzoeksproces kan echter wel als voordeel hebben dat er beter gespecificeerd kan worden (of en) waar archeologisch onderzoek nodig is. Dit kan evenwel de kosten voor archeologisch onderzoek beperken, maar dit brengt uiteraard ook een kostenpost mee.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-02-11
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务