five

Archeologisch vooronderzoek in het kader van de bouw van een loods aan de Elshoutseweg 3 te Elshout, gemeente Heusden

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/QEB7M7
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen verricht binnen een plangebied aan de Elshoutseweg te Elshout. Binnen het plangebied zal een nieuwe loods worden gerealiseerd en een vijver worden vergroot. Het is nog niet duidelijk tot welke diepte de verstoringen van de ondergrond zullen reiken. Voorafgaand aan de ingrepen dient in kaart gebracht te worden welke archeologische waarden mogelijk in het geding zijn. Doel van het archeologisch vooronderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is eerst een bureauonderzoek verricht, waarbij voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Vervolgens is deze verwachting in het veld getoetst door middel van een verkennend/karterend booronderzoek. Op basis van de resultaten van het onderzoek is tenslotte een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), protocol 4002 Bureauonderzoek en protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Per 28 april 2017 is Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie binnen BRL 4000 gecertificeerd voor alle werkprotocollen op het gebied van archeologisch (voor)onderzoek en het opstellen van Programma’s van Eisen. Op basis van het bureauonderzoek wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen, nederzettingen, graven e.d.) uit het laat-paleolithicum tot en met het Neolithicum. Gezien de vermoedelijke veenbedekking geldt voor de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen een lage verwachting. Voor het uiterste noordelijke deel van het plangebied geldt voor de periode de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd een middelhoge verwachting voor archeologische waarden (perifere nederzettingsresten). Voor het zuidelijke deel geldt voor deze periode een lage verwachting, hoewel hier wel sporen van agrarische activiteiten uit deze periode zullen voorkomen. Deze verwachtingen zijn gebaseerd op de ligging van het plangebied op een overgang van een dekzandrug naar een laagte, op de overgang van het dekzandgebied naar het riviergebied van de Maas. Vanaf het neolithicum is dit gebied geleidelijk bedekt geraakt met veen. Vanaf 1000 n.C. is het veengebied van de oeverwal van de Oude Maas ontgonnen, waarbij op de oude dekzandrug een achterkade is aangelegd. Door de verbeterde ontwatering en mogelijk door veenwinning is het veen in de loop der eeuwen verdwenen. Als gevolg van verploeging van het restveen en plaggenbemesting is in het plangebied een (matig) dik humeus cultuurdek ontstaan, waardoor archeologische waarden tegen verstoring beschermd zijn. Als gevolg van de verploeging zal de natuurlijke bodem naar verwachting in het cultuurdek zijn opgenomen. Gezien de eeuwenlange bedekking met veen zal de onderliggende bodem van oorsprong bestaan uit een veldpodzolgrond en/of een relatief natte gooreerd- of beekeerdgrond. Op de achterkade is in de loop van de Late-Middeleeuwen het dorp Elshout ontstaan. Het uiterste noordelijke deel van het plangebied maakt deel uit van het uiterste zuidelijke deel van dit dorpslint. Pas aan het einde van de 20e eeuw heeft bebouwing plaatsgevonden in het noordelijk deel van het plangebied. Voor zover bekend gaat dit om een loods, die over het algemeen een beperkte funderingsdiepte en -omvang hebben (fundering op poeren). De verwachting is derhalve dat het archeologisch sporenniveau als gevolg hiervan niet of nauwelijks is verstoord. Mogelijk heeft er echter in 2005 grondverbetering in het plangebied plaatsgevonden, waarbij de ondergrond tot een meter beneden maaiveld is vergraven. In de omgeving van het plangebied zijn daadwerkelijk archeologische waarden aangetroffen, die dateren uit de steentijd en de Late-Middeleeuwen B-Nieuwe Tijd. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek adviseert Vestigia binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. Door middel van een booronderzoek worden de fysisch-geografische en bodemkundige gegevens getoetst (verkennend booronderzoek). Het booronderzoek wordt uitgevoerd met een edelmanboor van 7 cm. Door de beperkte diepte en oppervlakte van de werkzaamheden is er in overleg met het bevoegd gezag besloten om 6 boringen te plaatsen. Drie boringen zullen ter hoogte van de geplande loods gezet worden. Twee boringen zullen bij de uitbreiding van de vijver gezet worden en één boring wordt ter controle in het plangebied gezet. De boringen zullen doorgezet worden tot 25 cm in de top van het moedermateriaal, met een verwachte gemiddelde boordiepte van 2,0 m-mv. Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? • in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? • bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? • geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? Tijdens het booronderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied de oorspronkelijke grond is afgegraven en opgevuld met ander sediment. Na afgraving is de bodem opgehoogd, wat mede duidelijk wordt door de aanwezigheid van modern baksteen en puin in deze lagen. De ophogingslagen reikten tot een diepte van minimaal 90 centimeter beneden maaiveld. Er zijn geen resten van een eerddek aangetroffen. Bij de afgraving zullen alle eventuele archeologische waarden verloren zijn gegaan. Advies Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het uitgevoerde booronderzoek kan de archeologische verwachting binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag; dit geldt voor zowel het te wijzigen bestemmingsplangebied in het noorden van het plangebied als het zuidelijke deel van het plangebied dat onder (ongewijzigd) bestemmingsplan Heusden Buitengebied valt. Vervolgonderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) worden dan ook niet noodzakelijk geacht. Het bevoegd gezag, de gemeente Heusden, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Heusden, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务