five

Bath – Buitendijks Natuurherstel Westerschelde. Gemeente Reimerswaal.

收藏
DANS Data Station Archaeology2015-10-01 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZHF-QFXJ
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, historische en archeologische gegevens is in het archeologisch bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Er kan samengevat gesteld worden dat er een middelhoge verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het Paleolithicum tot Mesolithicum op de top van het Pleistocene dekzand (Laagpakket van Wierden), die binnen het onderzoeksgebied gelegen is tussen 4,00 en 7,00 m –NAP. Voor het daarboven gelegen niveau van het Basisveen (tussen 3,50 en 6,50 m –NAP) voor het Laat-Mesolithicum, geldt een lage verwachting. Voor het Neolithicum en de Bronstijd geldt eveneens een lage verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen, die aanwezig kunnen zijn in het Hollandveen Laagpakket op een diepte tussen 3,00 en 6,00 m –NAP, vanwege de ongunstige bewoningscondities in het toenmalige moeraslandschap. In de bovenste niveaus en de top van het (intacte) Hollandveen kunnen tevens vindplaatsen uit de IJzertijd, Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen worden verwacht, op een diepte tussen 0,40 en 5,00 m –NAP. Ook voor deze perioden geldt dat hier een uitgestrekt veenmoeras was gelegen,dat waarschijnlijk geleidelijk ontwaterd raakte. Voor deze perioden is daarom een middelhoge verwachting vastgesteld. Voorwaarde hierbij is dat dit niveau nog intact is en niet is aangetast door mariene erosie of veenontginning (moernering). Bij de degradatie van het veenniveau is het mogelijk dat het veen overspoeld is met kleiige sedimenten uit de Schelde, die Upper Schelde deposits worden genoemd (Kreekrak Formatie). Indien aanwezig, kunnen op dit niveau vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen voorkomen, zij het dat de verwachting hiervoor als laag is ingeschat.<br>Voor het vanaf het maaiveld aanwezige Laagpakket van Walcheren geldt een hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Binnen het onderzoeksgebied is in een zone direct ten noorden van de geulwandverdediging de archeologische waarde vastgesteld, betreffende de resten van het in 1530 verdronken dorp Rilland en het omliggend cultuurlandschap. Het AHN en de beschikbare lucht- en satellietfoto’s geven een helder beeld van de momenteel bij laagwater zichtbare resten van deze vindplaats. Deze zone is in totaal circa 2,6 km lang en loopt vanaf de bestaande strekdam tot ca. 1,6 km in westelijke richting en tot ca. 1 km in zuidwestelijke richting (zie afbeelding 33). De breedte van deze zone bedraagt 70 tot 140 m. Onderzoek door de AWN Afd. Zeeland, uitgevoerd in 2004-2008, heeft uitgewezen dat in dit gebied resten van gebouwen en infrastructuur (dijken, sloten, perceelsgreppels) liggen, behorend tot Rilland en mogelijk tot het westelijk daarvan gelegen gehucht Gobbenoord. Tevens zijn sporen van veenontginning (talrijke moerneringsputten) en baksteenproductie gevonden. Uit het onderzoek is verder naar voren gekomen dat de kern van het verdronken Rilland ten zuiden en zuidoosten van de strekdam gesitueerd moet worden. Zodoende zijn alleen resten en sporen van het ten noorden van de dorpskern gelegen gebied bewaard gebleven. De noordelijke begrenzing van de vindplaats is niet vastgesteld aangezien de zichtbare resten naar het noorden en westen toe zijn afgedekt door sediment. Ook in deze delen van het onderzoeksgebied (tot aan de zeedijk) blijft een hoge verwachting gelden op het aantreffen van archeologische waarden. Het is mogelijk dat ook hier het in de 16de eeuw verdronken cultuurlandschap intact aanwezig is in de ondergrond. Het kan daarbij gaan om sporen van rurale bewoning (boerderijen, schuren) en infrastructuur (sloten, greppels, erfafscheidingen, wegen e.d.). Deze kunnen worden aangetroffen vanaf het oppervlak, in het Laagpakket van Walcheren tot op de top van het Hollandveen.<br>Een waarneming uit 2015 heeft aangetoond dat ook vindplaatsen daterend uit de periode na het verdrinken van het landschap (1530) in het onderzoeksgebied aanwezig kunnen zijn. Het betreft funderingsresten van geleidebakens voor de scheepvaart, die vermeld worden op 18de-eeuws kaartmateriaal.<br>Voorliggend onderzoek maakt duidelijk dat bij de aanleg van strekdammen in het onderzoeksgebied, ongeacht de locatie, de kans groot is dat archeologische waarden verstoord raken. Hoewel de verstoringsdiepte voor de aanleg van strekdammen niet exact bekend is, wordt verwacht dat door het gewicht van de strekdamconstructies compressie van de zachte klei- en veenbodems zal optreden, waardoor het bodemprofiel verstoord raakt. Ook het gebruik van zwaar materieel voor graafwerk en transport zal eenzelfde verstorend effect hebben. Naar verwachting zal het herstel en ophogen van de huidige geulwandverdediging geen nieuwe bodemverstoringen met zich mee brengen, indien deze niet in noordelijke richting verbreed zal worden. Ook hier geldt echter dat machinaal werk op zachte bodem tot verstoringen kan leiden.</p>
提供机构:
Artefact! Advies en onderzoek in erfgoed
创建时间:
2015-10-02
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务