Plangebied Nobelweg, gemeente Echt-Susteren. Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
收藏DANS Data Station Archaeology2007-07-01 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-25S-Z6S8
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Op basis van het bureauonderzoek werd bij aanvang van het veldonderzoek voor het plangebied de volgende verwachting geformuleerd: middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagerverzamelaars, specifiek voor kampementen uit het Mesolithicum; hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van landbouwers, specifiek voor nederzettingen van landbouwers uit het Neolithicum; eventuele vindplaatsen bevinden zich voornamelijk aan het oppervlak of net daaronder; informatie over de interne structuur van mogelijke vindplaatsen van jagerverzamelaars zal als gevolg van landbouwkundige grondbewerkingen grotendeels verdwenen zijn; verwacht wordt dat er nog een goed inzicht kan worden verkregen in het voorkomen van structuren van mogelijke vindplaatsen van landbouwers. Tijdens het veldonderzoek is in het hele plangebied een ooivaaggrond aangetroffen. In alle boringen is een verbruiningshorizont aangetroffen. De aanwezigheid van een verbruiningshorizont betekent dat mogelijk aanwezige grondsporen gedeeltelijk vervaagd zullen zijn en daardoor moeilijker leesbaar. Tijdens het booronderzoek werd vuursteen en aardewerk aangetroffen. Het aardewerk is handgevormd, maar bevat te weinig diagnostische kenmerken om een nauwkeurige datering mogelijk te maken. Het aardewerk wordt hierdoor niet nader gedateerd dan Neolithicum t/m IJzertijd. Vanaf de Late Bronstijd ontstond een landbouwsysteem dat gebruik maakte van een relatief groot landbouwareaal, waarbij regelmatig nieuwe akkers (met nederzettingen) werden aangelegd en de uitgeputte akkers werden achtergelaten (zgn. zwervende erven). Vanaf de Late IJzertijd werd het bewoningspatroon min of meer gekenmerkt door plaatsvaste erven en kleine nederzettingen van enkele geclusterde erven. Op basis van het handgevormd aardewerk wordt geconcludeerd dat het plangebied een soortgelijke bewoning heeft gekend in de Late Bronstijd-IJzertijd. Het is op basis van de bekende neolithische vindplaatsen in de omgeving ook mogelijk dat de bewoning uit het Neolithicum dateert. Het vuursteen dat werd aangetroffen bestaat uit twee kleine afslagen waarvan er één retouches vertoont. Op basis van het vuursteen kan de datering van de bewoning niet scherper gesteld worden. Het vuursteenmateriaal is mogelijk gelijktijdig met de bewoning die op basis van het aardewerk werd vooropgesteld in de periode Late Bronstijd-IJzertijd. Het is evenwel ook mogelijk dat het vuursteen ouder is dan de Late Bronstijd. Aanbevelingen Tijdens het archeologisch onderzoek zijn in het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen die dateren uit de Prehistorie (Neolithicum-IJzertijd. Hiermee werd de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. Er wordt geconcludeerd dat er in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is. Deze archeologische vindplaats dient verder onderzocht te worden. De kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging van de vindplaats dienen nader vastgesteld te worden door middel van een gravend onderzoek. Volgens de AMZ-cyclus (cyclus van processen binnen de archeologische monumentenzorg) dient er eerst een waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden. Omwille van de beperkte omvang van het plangebied en de verstorende activiteiten is het praktisch gezien beter om direct een definitieve opgraving uit te voeren. Bij een proefsleuvenonderzoek is één van de doelstellinge het afbakenen van de vindplaats en gedeeltes zonder archeologische waarden af te strepen. Door de beperkte omvang van het plangebied heeft het afstrepen van lege zones weinig nut. Er wordt geen archeologische begeleiding geadviseerd omdat tijdens dit vervolgonderzoek het uivoerend archeologisch bedrijf de diepte van het archeologisch leesbaar vlak niet naar eigen inzicht kan bepalen. Dit was een nadeel van de uitgevoerde archeologische begeleiding in een aangrenzend plangebied (Keijers, 2006). Het is in onderhavig plangebied door de verbruining namelijk noodzakelijk om de mogelijkheid open te laten om meerdere archeologisch leesbare vlakken aan te leggen. Het doel van de definitieve opgraving is het verkrijgen van inzicht in de aanof afwezigheid van archeologische waarden en (indien dergelijke waarden worden aangetroffen) de wetenschappelijke informatie van de archeologische vindplaats veiligstellen (behoud ex situ). Het is te verwachten dat voor het kleine plangebied een definitieve opgraving in korte tijd af te ronden is. Toch dient dit archeologisch onderzoek ruim voor de bouwfase ingepland te worden. Voorafgaand aan de definitieve opgraving dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld waarin onder meer de precieze doelstellingen, methodes en onderzoeksvragen worden omschreven. In dit PvE dient ook het proces van de waardering van de vindplaats worden opgenomen.</p>
提供机构:
RAAP Archeologisch Adviesbureau
创建时间:
2007-07-02



