Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herontwikkeling van de woningen aan de Lage Rijndijk, gemeente Leiden
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/UNGJLX
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureau- en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor een plangebied aan de Lage Rijndijk te Leiden, gemeente Leiden. Het plangebied betreft een aantal woonblokken tussen de Lage Rijndijk (zuiden), de Javastraat (noorden), Driftstraat (westen) en de Sumatrastraat (oosten). Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2,3 ha, en is momenteel vrijwel geheel bebouwd en verhard. Binnen het plangebied is (gedeeltelijke) sloop en nieuwbouw van woningen voorzien Binnen het plangebied bestaat nog een tweedeling in de geplande werkzaamheden. De gevels van de huizen aan de Lage Rijndijk blijven gehandhaafd en worden hersteld. De overige huizen worden gesloopt en zullen vervangen worden door nieuwbouw. Hoe deze nieuwbouw er uit gaat zien is nog niet bekend. Voorafgaand aan de ingrepen dient in kaart te worden gebracht of bij de voorgenomen ontwikkeling archeologische waarden in het geding kunnen raken. Gezien de aard van de ingrepen (sloop, nieuwbouw, aanleg infra etc.) zullen de geplande ingrepen tot in het relevante archeologische niveau reiken. Vanuit het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied heeft op basis van de landschappelijke ligging in principe een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten vanaf de Steentijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Het plangebied is gelegen in het estuarium van de Oude Rijn. Binnen het plangebied kan een oeverwal voorkomen waarop bewoning uit de prehistorie verwacht kan worden. Daarnaast is het plangebied gelegen in de Limes-zone, maar wel ten noorden van de vastgestelde Romeinse weg. Mogelijk is ten noordoosten van het plangebied sprake van een Romeinse nederzetting. Vanaf de Middeleeuwen is het plangebied vooral in gebruik voor agrarische doeleinden en kunnen dus vooral sporen van agrarische percelering verwacht worden. Mogelijk zouden nog sporen van de historische kade of dijk ter hoogte van de Driftstraat aanwezig kunnen zijn. Uit het historisch kaartmateriaal lijkt het plangebied voornamelijk als akker of weiland in gebruik te zijn geweest tot de stadsuitbreiding van 1896. Het plangebied is pas bebouwd vanaf de jaren 20 van de 20e eeuw. Echter, uit de Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt ook dat er mogelijk resten van een kalkoven aanwezig kunnen zijn in het zuiden van het plangebied, daterend van vóór het Beleg van Leiden in 1573/1574. Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen was het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting, en de mate van erosie/verstoring in kaart te brengen. Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord: - wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? - in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? - bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren (primair en secundair) en zo ja, waaruit bestaan deze? - wat was de archeologische verwachting voorafgaand aan het onderzoek en wat is deze na het booronderzoek? - geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? Binnen het plangebied zijn onder de opgebrachte/omgewerkte grond getijdeafzettingen aangetroffen die langzaam overgaan in bosveen. In de getijdeafzettingen is een begraven bodem aangetroffen tussen 80-120 centimeter beneden maaiveld. Daarnaast is er een loopvlak aangetroffen op 170-185 centimeter beneden maaiveld. De begraven bodem dateert vermoedelijk uit de Middeleeuwen-Nieuwe Tijd en het loopvlak uit de Romeinse Tijd. Ook zijn er houtskoolbrokken aangetroffen in het veen die eventueel antropogeen kunnen zijn. In het noordoostelijk blok zijn deze (potentiële) archeologische niveaus afwezig. Voor de vermoedde kalkoven aan de Rijndijk zijn tijdens het booronderzoek geen verdere aanwijzingen gevonden. De terreinomstandigheden lieten helaas niet toe om dichtbij deze locatie te boren. Advies. Op basis van de bevindingen van het booronderzoek blijft de hoge archeologische verwachting binnen het plangebied gehandhaafd binnen drie van de vier bouwblokken. Voor het noordoostelijke blok kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag. Hier ontbreekt de archeologisch relevante laag en is mogelijk sprake van afgraving van het bovenste deel van het natuurlijk bodemprofiel, in combinatie met natte omstandigheden. Binnen de andere drie kwadranten van het plangebied worden archeologische waarden verwacht vanaf een diepte van 80 centimeter beneden maaiveld. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert daarom in het kader van de cyclus Archeologische Monumentenzorg (AMZ) vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek na de sloop van de bestaande bebouwing. Daarbij zal nog specifiek aandacht worden besteed aan de zone langs de Rijndijk, waar industriële activiteit vanaf de late middeleeuwen wordt vermoed. Deze zone kon in het huidige onderzoek niet afdoende worden meegenomen. Voorafgaand aan de uitvoering van een dergelijk onderzoek dient altijd eerst (verplicht) een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat de goedkeuring behoeft van het bevoegd gezag. Het noordoostelijke blok kan wel worden vrijgegeven. Het bevoegd gezag, de Gemeente Leiden, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de Gemeente Leiden, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
创建时间:
2024-01-31



