Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Zandwinput Veldhuizerweg te Hoogersmilde (gem. Midden-Drenthe)
收藏DANS Data Station Archaeology2016-11-21 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XU3-6GUA
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In oktober 2016 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase, uitgevoerd voor het plangebied Veldhuizenweg te Hoogersmilde. </p><p>De bodem in het plangebied bestaat over het algemeen uit een 15 tot 35 cm dikke bouwvoor, met daaronder plaatselijk een al dan niet intacte podzol, gevolgd door het onverstoorde moedermateriaal: de C-horizont. Lithologisch gezien komt in het plangebied zeer tot uiterst fijn, matig tot zwak siltig zand voor. Heel plaatselijk is een veraarde veenlaag aangetroffen. In het plangebied is echter een duidelijke trend te zien waar welke bodems voorkomen.</p><p>Op het hoger gelegen gedeelte van het plangebied komt overwegend zwak siltige, uiterst fijn zand voor. Het gaat hier om boringen 6 t/m 9, 11 t/m 15 en 24 t/m 28. In deze zone komt ook regelmatig nog een (deels) intacte podzol voor waarin minstens een B-horizont en mogelijk nog een E- of AE-horizont voorkomt (in boringen 6, 8, 9, 13, 14, 15, 24, 25 en 28). Op deze locaties is de bodem nog grotendeels intact. In enkele boringen komt alleen nog een BC horizont voor (boringen 11, 26 en 27) en in overige boringen is onder de bouwvoor direct de C-horizont aangetroffen (boringen 7 en 12). Hier is vermoedelijk de voormalige podzol door ploegen verdwenen. </p><p>In het plangebied komen ook twee middelhoog gelegen gedeelten voor: tegen het hoger gelegen deel aan (boringen 5, 16, 22 en 23) en tegen de oostelijke grens van het plangebied (boringen 18 en 19). Hier komt matig tot zwak siltig, zeer fijn tot uiterst fijn zand voor. Ook hier komen nog (deels) intacte podzols voor (boringen 5 en 16), maar is plaatselijk ook slechts de BC-horizont aangetroffen (boring 19) of zijn geen resten van podzols meer aangetroffen (boringen 18, 22 en 23). In deze zone zijn in de twee boringen die het dichtst bij de vermoedelijke pingoruïne liggen een laag veraard veen aangetroffen op 70 à 80 cm -mv. Boven deze laag is de bodem verstoord en/of verploegd. Mogelijk is een deel van het veen afgegraven en vermoedelijk is grond aangevuld en geëgaliseerd om dit deel van de lagere pingoruïne-zone bij de akker te kunnen trekken. Vermoedelijk gaat het om de rand van de pingoruïne, en ligt de kern van de laagte zelf ten noorden van deze twee boringen. </p><p>Ten slotte zijn er nog twee lagere zones in het plangebied te herkennen: de zone tegen de westelijke grens van het plangebied (boring 10) en de zone tussen de twee middelhoog gelegen zones in (boringen 1 t/m 4, 17, 20 en 21). Ook in deze zones komen bodem voor het een B-horizont, al is hier geen A- of AE-horizont meer aangetroffen (boringen 1, 2). Verder is in één boring nog de BC-horizont aangetroffen (boring 3) en in één boring direct de C-horizont (boring 4). In boringen 17, 20 en 21 is de bodem tot in de C-horizont verstoord, omdat hier een laag waarin brokken A- of B- en C-horizont elkaar afwisselen is aangetroffen. In deze zone is de bodem duidelijk minder intact dan in het overige deel van het plangebied. </p><p>In het bureauonderzoek is rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Gezien de mate van intactheid van de bodem en de mogelijke ligging van een oude weg in dit gedeelte van het plangebied is de hoogste kans op het aantreffen van intacte resten te verwachten op de hoger gelegen zone in het plangebied. Daarnaast is in het oostelijk deel van het plangebied tegen de noordelijke grens een laag veen aangetroffen die wordt geassocieerd met de pingoruïne. Hier zouden archeologische resten voor kunnen komen die in verband staan met het gebruik als offerveentje. </p><p>Naar aanleiding van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt aanbevolen om op het hoger gelegen gedeelte van het plangebied een karterend booronderzoek (SIKB methode A3) uit te voeren om een eventuele vindplaats uit de periode paleolithicum – neolithicum aan te kunnen tonen. Hierbij wordt met name gedacht aan aanwezigheid van vuurstenen artefacten. Daarnaast zouden in dit onderzoek ook nederzettingsresten uit latere perioden kunnen voorkomen. Indien hier een archeologische vindplaats wordt aangetroffen, kan het onderzoek naar de middelhoog gelegen zone worden uitgebreid. </p><p>Daarnaast wordt aanbevolen om tussen boring 21 en 24 een raai van boringen uit te voeren, waarbij elke 5 m een boring wordt geplaatst. Op deze manier kan worden vastgesteld of het om de pingoruïne gaat, of dat het een laagje veen betreft dat vanuit de pingoruïne naar omliggend gebied is uitgebreid.</p>
提供机构:
Antea Group
创建时间:
2016-11-22



