Archeologisch onderzoek 10 kV en 20 kV verbindingen te Espel, gemeente Noordoostpolder
收藏DataCite Commons2024-07-09 更新2024-07-13 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/ETIOJX
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In opdracht van Liander N.V. heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch inventariserend veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd voor de uitbreiding van het electriciteitsnet in Espel en Tollebeek, gemeente Noordoostpolder. Het NuLelie programma bestaat uit een omvangrijke uitbreiding van het elektriciteitsnet in Fryslân en de Noordoostpolder. Hierbij zullen meerdere middenspanningsverbindingen (10 kV en 20 kV) worden gelegd en worden waar nodig nieuwe stations gebouwd of bestaande stations vervangen. In het onderzoeksgebied zijn drie potentiële archeologische periodes waar rekening mee dient te worden gehouden. Tijdens het paleolithicum en mesolithicum konden er jager-verzamelaars door het gebied trekken. Deze hadden nog geen vaste verblijfplaats en verbleven in tijdelijke kampen. Deze kampen werden vaak ingericht op plaatsen waar de lokale voedselbronnen (bijvoorbeeld wild en vis) konden worden geëxploiteerd. Resten uit de steentijd kunnen worden verwacht in het dekzand. Met name de hogere en droge zandkoppen en opduikingen waren aantrekkelijke bewoningsplekken in deze periode. Bodemvorming (podzolering) is doorgaans een aanwijzing voor een hogere en droge plek in het landschap. Indicatoren die ook op menselijke activiteit wijzen bestaan uit vuursteen/natuursteen artefacten, houtskoolresten en (verbrand) bot. Tijdens het neolithicum en na de introductie van de veeteelt en landbouw begon de mens zich te vestigen op vaste verblijfplaatsen. Nog steeds waren de hogere plekken in het landschap, zoals de dekzandruggen, rivierduinen en oeverwallen, de meeste aantrekkelijke vestigingslocaties. Vanaf deze periode kunnen bewoningsresten van nederzettingen en grafvelden worden aangetroffen. Archeologische indicatoren uit deze perioden bestaan onder andere uit aardewerk, vuursteen/natuursteen artefacten, (verbrand) bot, metaal (brons) en hout/houtskool. Vis vormde in deze periode nog een belangrijke bron van voedsel. In de lagere gebieden, nabij de rivieren en kreken, kunnen ook resten worden verwacht van visvangst, zoals kampen en resten van visfuiken/weren. Geleidelijk aan raakte het gebied bedekt met veen. Vanaf de vroege bronstijd dwong de opmars van het veen de bewoning naar de hoogste delen van het landschap. Bewoningsresten vanaf de midden bronstijd tot de Romeinse tijd zijn niet meer (intact) aanwezig in het gebied. Sporadische vondsten uit deze periode duiden wel op menselijke activiteiten en mogelijke bewoning, maar daadwerkelijke bewoningsresten van nederzettingen zijn (nog) niet aangetroffen. De bewoning zal op de hoogste delen van het landschap hebben plaatsgevonden. De delen die zowel door de middeleeuwse veenontginningen en door de erosie van de Zuiderzee zijn vernietigd. Deze veenontginningen begonnen rond de 8e/9e eeuw. In het middeleeuwse veenlandschap zal bewoning voornamelijk op veenterpen, nabij veendijken, hebben plaatsgevonden en in dorpen die op de hogere zandruggen ontstonden (zoals bij Schokland). Het land werd echter sterk aangetast door overstromingen en hoog water, waardoor in de 19e eeuw alleen nog een smal eiland, Schokland, boven het water uitstak. Na de inpoldering in 1942 kwam het oude landschap echter vlak onder het maaiveld (de oude zeebodem) te liggen. Voor zover de resten niet verspoeld zijn en aangetast door recente (land)bouwwerkzaamheden kunnen er vlak onder het maaiveld (onder de bouwvoor) archeologische resten, daterend vanaf de middeleeuwen, aanwezig zijn. Deze bestaan onder meer uit aardewerk, bouwmateriaal (baksteenpuin), natuursteen artefacten, verbrand bot, metaal, glas, en hout/houtskool). Ook kunnen er nog resten van scheepswrakken door het hele onderzoeksgebied worden aangetroffen. Het veldwerk voor het inventariserende veldonderzoek is verricht aan het eind van 2023 en begin 2024. Hierbij zijn 112 handmatige grondboringen verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een guts van 3 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot 0,3 m in de C-horizont en/of tot een maximale diepte van 2 m beneden maaiveld. De boringen zijn gezet in een lijnsegment van om de 50 meter. Tijdens het booronderzoek is gebleken dat vrijwel het gehele plangebied in het verleden onderdeel geweest van de verschillende voorgaande meren, het Flevomeer, het Almere meer en als laatste de Zuiderzee. In een groot deel van de boringen zijn dan ook de afzettingen hiervan gevonden. Afzettingen van de Zuiderzee Laag zijn hoogstwaarschijnlijk opgenomen in de bouwvoor. De Almere Laag is over vrijwel het gehele plangebied aangetroffen en afzettingen van de Flevomeer Laag zijn voornamelijk langs de Staartweg, Westerringweg en Zuideringweg aangetroffen. Het Hollandveen Laagpakket is enkel langs de Westerringweg en Zuiderringweg aangetroffen. De boringen laten zien dat het landschap voortdurend veranderde door deze voormalige meren en zee. Veen is weggeslagen en weer afgezet tussen kleilagen en diverse wadgeulen in het gebied hebben lagen weggespoeld. Deze landschappelijke activiteit betekent ook dat er qua archeologie vrijwel geen archeologische verwachting meer in het gebied is te vinden binnen 2 meter onder maaiveld. De enige uitzondering is hierbij boring 147, waarbij er mogelijk een kreekoever is aangetroffen waarbij bodemvorming heeft plaatsgevonden op een diepte van 132 cm onder maaiveld. Aangezien dit een locatie betreft op openbare grond, zal de kabel op een diepte van 90 cm onder maaiveld komen te liggen. Het potentiele archeologische niveau zal hierbij niet worden geraakt. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2024-07-08



