Uiterweg 358-358a te Aalsmeer, gemeente Aalsmeer
收藏DataCite Commons2026-01-12 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/OFHURJ
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
In opdracht van de heer N. den Breejen heeft ADC ArcheoProjecten in augustus en september 2023 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie Aalsmeer Uiterweg 358-358a te Aalsmeer (afb. 1 en afb. 2). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen (gedeeltelijke) sloop van de bestaande bebouwing gevolgd door de nieuwbouw van een woonhuis (afb. 3). Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging van de bestemming ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ en een omgevingsvergunning nodig.
De diepere ondergrond bestaat uit wad- en kwelderafzettingen (Laagpakket van Wormer van de Formatie van Naaldwijk). Indien sprake is van getij-inversieruggen dient rekening te worden gehouden met archeologische sporen en vondsten uit het Neolithicum. Omdat tot op heden in het onderzoeksgebied geen vondsten en/of sporen uit deze periode bekend zijn, is het de vraag in hoeverre het toenmalige getijdenlandschap geschikt was voor bewoning. Mogelijk werd het gebied alleen gebruikt voor de jacht en de visserij.
In de periode Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen bevond zich ter plaatse van het onderzoeksgebied een uitgestrekt veenmoeras. Op grond van de natte omstandigheden en afwezigheid van grote rivieren die toegang zouden kunnen verschaffen tot het gebied wordt de kans op de aanwezigheid van archeologische sporen in het veen (Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop) gering geacht.
Vanaf de Late Middeleeuwen werd het gebied op grote schaal ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. De intensieve ontginningen leidden tot oxidatie en inklinking van het veen, waardoor het gebied steeds lager kwam te liggen. Vanwege wateroverlast die daardoor ontstond schoof de bewoning gefaseerd naar het noordwesten. Hierbij ontstond de huidige nederzetting Aalsmeer en het bebouwingslint langs de Uiterweg. Dit lint kan worden beschouwd als een tertiaire ontginningsas en is het resultaat van het tweemaal verplaatsen van de ontginningsbasis.
Op basis van bekende historische gegevens moet ter plaatse van de landstrook langs de Uiterweg, waarvan ook het plangebied deel uitmaakt, rekening worden gehouden met resten uit de Nieuwe tijd (vanaf de 16e eeuw). Eventueel kunnen ook laatmiddeleeuwse resten worden aangetroffen. De resten, waaronder resten van funderingen, muurwerk, vloerniveaus en andere aan bewoning gerelateerde sporen zoals afvalkuilen, zullen zich in de top van het veen en/of een eventueel bovenliggend ophogingspakket bevinden.
De mate waarin organisch vondstmateriaal geconserveerd zal zijn is afhankelijk van de ligging ten opzichte van de grondwaterspiegel, maar gezien de lage ligging van het plangebied ten opzichte van NAP bestaat hiervoor een goede kans. Anorganisch vondstmateriaal zoals aardewerk en bouwmateriaal zullen naar verwachting goed bewaard zijn gebleven.
Het geraadpleegde kaartmateriaal laat zien dat er mogelijk vanaf de tweede helft van de 17e eeuw bebouwing in het plangebied aanwezig is; er bevindt zich zeker bebouwing (waarschijnlijk een woonhuis) aan het begin van de 19e eeuw. Het gebied is met name voor de tuinbouw in gebruik geweest en raakte in de 20e eeuw steeds meer bebouwd. In hoeverre deze bebouwing en sloop van voorgaande bebouwing de bodemopbouw hebben verstoord is onbekend.
De nieuwbouw valt grotendeels binnen de contouren van de huidige bebouwing
Het schelphoudende kleipakket in boring 5 zou verband kunnen houden met de historische bebouwing in het plangebied. Concrete aanwijzingen hiervoor, zoals vondstmateriaal in de vorm van scherven, bouwmateriaal, ontbreken echter. Ook bevond de historische bebouwing zich volledig binnen de contour van het in 1955 gerealiseerd bijgebouw. Het is aannemelijk dat bij de bouw van het bijgebouw de resten van de historische bebouwing zijn verdwenen of aanzienlijk zijn verstoord.
ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Aalsmeer.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-01-08



