five

Franeker Breedeplaats

收藏
DataCite Commons2025-11-20 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/QBDY3X
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>De aanleiding voor het onderzoek was de herinrichting van het plein op de Breedeplaats te Franeker, uitgevoerd in 2018. Het plein is in het kader van het project ‘11Fountains’ van Culturele Hoofdstad 2018, naast de plaatsing van een fontein, deels opnieuw ingericht. De Breedeplaats ligt in het centrum van Franeker, binnen het archeologische monumententerrein 14971. Dit monumententerrein betreft de historische kern van Franeker en ligt op een terp die dateert vanaf de late ijzertijd. De archeologische begeleiding heeft bijzonder veel archeologische informatie opgeleverd, met name de locatie van de pompput voor de fontein. Afgezien van een deel van de begraafplaats rond de Martinikerk, zijn hier restanten van de kernterp van Franeker aangetroffen. Ook blijkt uit het onderzoek dat er, voorafgaand aan de terpophoging, op de kwelderwal waar de terp op is aangelegd een vlaknederzetting heeft gelegen. De vlaknederzetting en de eerste terpophoging dateren uit de late ijzertijd/vroeg-Romeinse tijd. Op de top van de kwelderwal ligt een oud loopvlak of maaiveld. Dit oude loopvlak is een restant van een vlaknederzetting, die hier aan het einde van de late ijzertijd en/of het begin van de Romeinse tijd moet hebben gelegen. Op dit oude loopvlak ligt de eerste terpophoging, bestaande uit een relatief schone ophooglaag. Terpaardewerk dat aan deze eerste periode gekoppeld kan worden, dateert tussen 200/150 v. Chr. - 50 na Chr. Uit het pollenonderzoek blijkt dat het landschap een open karakter had gedurende de vorming en het gebruik van de terp. Het is zeer waarschijnlijk dat de grassige kwelders in de omgeving gebruikt werden om vee op te weiden. Het dierlijk botmateriaal dat uit deze periode dateert, is voornamelijk afkomstig van rund en schaap/geit. In het achterland was een veengebied aanwezig. Gedurende de Romeinse tijd werd de bewoning op de terp intensiever. Zowel in de tweede ophooglaag als in de in deze periode rond de terp aangelegde grote terpsloot is veel materiaal gevonden dat dateert uit de 1e t/m de 3e eeuw na Chr. Het vondstmateriaal dat tot deze fase behoort, bestaat vooral uit terpaardewerk, met daarnaast resten van weefgewichten, een fragment van een maalsteen en een slijpsteen en fragmenten. Het dierlijk botmateriaal laat, naast rund en schaap/geit, ook resten van edelhert en hond zien. Een bijzondere vondst betreft een zilveren denarius geslagen onder Antoninus Pius in 158-159 na Chr. Waarschijnlijk is de terpenreeks waarop Franeker ligt, verlaten na de 3e eeuw, toen de Middelzee zich uitbreidde, en werden ze pas weer sinds de Merovingische tijd bewoond. De laag die als grafgrond is geïnterpreteerd, bovenop de tweede ophooglaag, betreft mogelijk een middeleeuwse terplaag. Deze laag is volkomen vergraven door de graven. Er is sowieso zeer weinig middeleeuws materiaal gevonden. Mogelijk bevond de bewoning zich in de vroege middeleeuwen op een ander deel van de terp en heeft ook het feit dat de onderzoekslocatie vanaf de 11e eeuw dienst ging doen als kerkterp en later als marktplein (en daardoor een open ruimte werd en geen woonfunctie (meer) had) hiermee te maken. Bijzonder is wel de vondst van een 8e-eeuwse sceatta en van een zilveren tremissis, geslagen in vermoedelijk Noord-Frankrijk. De tremissis is te dateren in de decennia rond 680 na Chr. Het deel van het grafveld rond de Martinikerk dat is onderzocht, is relatief jong: de graven dateren vanaf de 16e eeuw tot in het begin van de 19e eeuw. Uit het feit dat graven uit jongere perioden soms op een dieper niveau dan oudere graven liggen, er veel knekelkuilen zijn gevonden waarin de resten van geruimde graven zijn geplaatst en er meerdere graven met latere bijzettingen zijn aangetroffen, blijkt dat (dit deel van) het grafveld intensief gebruikt is. Uit het onderzoek naar de menselijke resten uit zowel de in situ graven als uit de knekelkuilen blijkt dat de opgegraven resten 85 individuen vertegenwoordigen. In de bovenste laag zijn vier verstoorde kinder- en babygraven en één kleine knekelkuil met een mix van botten van kinderen en volwassenen gevonden. Alle inhumaties op dit niveau lijken zonder kist begraven te zijn. De aangetroffen in situ graven in de niveaus hieronder liggen in maximaal vier lagen boven elkaar. Per laag zijn er drie parallel aan elkaar liggende rijen graven opgegraven, die elk bestaan uit maximaal vijf graven op een rij. De graven liggen oostwest, volgens christelijk gebruik, met het hoofd naar het westen. Van met name de onderste rijen begravingen is hout van de doodskisten bewaard gebleven. De doodskisten zijn zonder uitzondering gemaakt van dikke eikenhouten planken. Uit het onderzoek blijkt dat het aandeel man-vrouw in de graven ongeveer gelijk is. Ongeveer de helft van de volwassen individuen waarbij een sterfteleeftijd kon worden bepaald, zijn twintigers of dertigers; de andere helft is ouder. Bij de niet-volwassenen lijkt sterfte per leeftijdscategorie gelijk. In een aantal graven zijn meerdere personen bijgezet. Met betrekking tot de in situ graven is te veronderstellen dat deze begraven individuen aan elkaar verwant waren. Er zijn geen grafvondsten in de graven gedaan, wel resten van de kleding die de overledenen aanhadden toen ze werden begraven (knopen, gespen). Op de menselijke botten zijn daarnaast groene verkleuringen waargenomen: restanten van koperen (of bronzen) knopen, spelden en/of sieraden. Aangezien de verkleuringen alleen lijken voor te komen bij vrouwen, wijst dit in geval van de verkleuringen op de schedels indirect op een type hoofdbedekking dat alleen door vrouwen (en meisjes) werd gedragen of aan oorijzers. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat de algemene gezondheid van de begraven individuen goed was, zijn op de botten van een aantal individuen aanwijzingen voor ziektes en traumata te zien. Opvallend is het relatief hoge aandeel cribra orbitalia, een gevolg van bijvoorbeeld ijzergebrek in het dieet (bloedarmoede) of van malaria. Uit historische bronnen blijkt dat de malariamug vroeger in grote aantallen aanwezig was in Nederland. In Franeker was de mug (in ieder geval) in de 18e en 19e eeuw epidemisch. In de grafgrond en/of de terplaag waarin de graven zijn ingegraven, is tevens ander vondstmateriaal uit de nieuwe tijd aangetroffen. Het zal hier gaan om materiaal dat aan het toenmalige maaiveld lag en dat, in geval van de graven, bij het grafdelven mee is gekomen in de grafkuilen.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-11-20
5,000+
优质数据集
54 个
任务类型
进入经典数据集
二维码
社区交流群

面向社区/商业的数据集话题

二维码
科研交流群

面向高校/科研机构的开源数据集话题

数据驱动未来

携手共赢发展

商业合作