Bewoning aan de Achterstraat
收藏资源简介:
<p>Bewoning op de Achterstraat is geleidelijk vanaf het jaar 1508 is gebeurd. Op de kaart van Van Deventer uit 1559 is een aaneengesloten bebouwing langs de Achterstraat te zien. De opgraving heeft dit beeld niet geheel bevestigd. Aanvankelijk werd het terrein gebruikt voor (semi)agrarische doeleinden. De grond was verkaveld middels sloten. Deze zijn in het begin van de 16de eeuw gedempt. In één van de sloten bevond zich scherfmateriaal in de dempingslaag dat dateert uit de periode 1475-1525. Daarna is het terrein opgehoogd. In de ophogingslagen bevond zich weinig scherfmateriaal. Het materiaal dat gevonden is, dateert uit de 16de eeuw. In de oudste ophogingslaag was een<br>beerkuil ingegraven die vanwege de vorm en locatie vermoedelijk geïnterpreteerd kan worden als een kuil onder een latrine. Mogelijk hoorde deze bij een huis aan de Achterstraat, maar hiervan zijn geen resten teruggevonden. Het materiaal uit de kuil dateert uit het laatste kwart van de 16de eeuw. Dit houdt in dat het terrein op zijn vroegst omstreeks 1575 werd bebouwd.<br>Duidelijke bebouwingsresten dateren pas uit omstreeks 1600. Het terrein werd verder opgehoogd. Op het terrein verschenen vier huizen. De huizen op perceel Achterstraat 19 werden op zeker moment samengevoegd tot één pand. Van dit gebouw bestaan nog foto’s waarop te zien is dat het als hooischuur functioneerde. De andere twee huizen op perceel Achterstraat 21 bleven twee afzonderlijke huizen en zijn in de 19de eeuw samengevoegd tot één pand.<br>Van het huis Achterstraat 20 zijn de meeste resten teruggevonden. <br>Opmerkelijk is verder dat bij de huizen aan de Achterstraat geen beerputten zijn aangetroffen, maar wel waterputten en waterkelders. Wellicht is de verklaring gelegen in de functie van de huizen. Het is goed mogelijk dat de huizen niet als woonhuizen, maar als pakhuizen of aanverwante functies gefungeerd hebben. De achtererven van de huizen aan het Nieuwland zijn van een geheel andere aard. Hier bevond zich wel een beerput, die helaas vrijwel geen vondstmateriaal heeft opgeleverd. Een opmerkelijk grote kelder duidt op enige welstand. Opmerkelijk is dat het vondstmateriaal van fase 2 een welgestelde indruk maakt. De beerkuil uit deze fase bevatte Italiaans importaardewerk, een (Zuid-)Nederlands majolicakannetje, een bord van Werra-aardewerk en een fraaie steengoedkan uit Raeren. Onder<br>het lokale rood- en witbakkende aardewerk bevond zich een product dat weinig voorkomt: en appelpofpan. Ook het vensterglas in de vorm van druppelvormige ruitjes is niet eerder in Hoorn aangetroffen. Mogelijk was de eigenaar van het materiaal actief als handelaar want uit de kuil komt een schaaltje van een balans.<br>Het vondstmateriaal uit fase 3 maakt een geheel andere indruk. Het materiaal laat zich omschrijven als doorsnee tot zelfs armoedig. Duurder porselein, majolica of faience ontbreekt volledig. Het is de vraag wat dit zegt. Als de huizen niet als woonhuizen gebruikt werden, geeft het vondstmateriaal mogelijk een vertekend beeld. De eigenaars zullen immers hun afval elders gedumpt hebben. Het materiaal kan gedeeltelijk afkomstig zijn van arbeiders die in de<br>panden hebben gewerkt.</p>



