Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (3623.002 & 3623.004) Lissevenlaan 11 te Waalre
收藏DANS Data Station Archaeology2019-09-04 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-249-8RXS
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Gespecificeerde archeologische verwachting<br>Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied in een dekzandgebied, waar vanaf de Late-Middeleeuwen verstuiving heeft plaatsgevonden. Enerzijds kunnen de verstuivingen er voor hebben gezorgd dat het oorspronkelijke maaiveldniveau is geërodeerd, anderzijds kan dit niveau zijn afgedekt door stuifzand, waardoor het is beschermd tegen bodemverstorende werkzaamheden in de 20e eeuw. De mate van intactheid van het archeologisch niveau, namelijk de top van het dekzand wordt bepaald door de aan- of afwezigheid van een podzolbodem. Wanneer in de top van het dekzand nog een deels intacte podzolbodem aanwezig is, dan heeft het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Vroege Middeleeuwen. Is de podzolbodem geheel verdwenen, dan bestaat er een archeologische verwachting voor grondsporen uit de periode Neolithicum - Middeleeuwen. Op basis van het historisch landgebruik is de verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd laag. </p><p>Resultaten inventariserend veldonderzoek<br>De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase en deels aanvullende karterende fase) bevestigd de ligging binnen een stuifzandgebied, echter het aanwezige en goed ontwikkelde haarpodzolprofiel wijst eerder op een laatprehistorische verstuivingsfase dan een laat-middeleeuwse verstuivingsfase. De stuifzandafzettingen lopen door tot een diepte van gemiddeld 200 cm -mv, waarna een vrij scherpe overgang zichtbaar is naar de dekzandafzettingen. Er zijn geen begraven bodemprofielen waargenomen in de stuifzandafzettingen als in de onderliggende dekzandafzettingen, waarbij geboord is tot maximaal 320 cm -mv. Op basis van de verkennende fase van het booronderzoek geldt voor het plangebied alleen nog maar een lage archeologische verwachting op het voorkomen van resten vanaf de Late-Prehistorie (meest waarschijnlijk vanaf de IJzertijd/Romeinse tijd). Voor het noordoostelijke deel van het plangebied/ter plaatse van de nieuwbouwlocatie geldt dat er terreindelen voorkomen die zowel (soms diep) verstoorde als een (deels) intacte bodemopbouw laten zien. De verstoringen zullen het gevolg zijn van de bouw en sloop van de voormalige villa en de inrichting van de omliggende siertuin.</p><p>Antropogeen materiaal is alleen bij enkele boringen aangetroffen in het recent geroerde deel van de bodemopbouw en bestaat uit alleen resten recent beton- en baksteenpuin en plastic. Het betreffen zeer waarschijnlijk sloopresten van het voormalige villa en zijn vanuit archeologisch oogpunt niet relevant. In géén van de boringen zijn tot 30 cm in de top van de C-horizont archeologische relevante indicatoren aangetroffen.</p><p>Conclusie<br>Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting, op basis van het bureauonderzoek, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.</p><p>Advies<br>Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De aangetroffen bodemopbouw geeft aan dat een verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten alleen geldt vanaf de Late-Prehistorie (meest waarschijnlijk waarschijnlijk vanaf de IJzertijd/Romeinse tijd) en dat deze laag is. Verder heeft het booronderzoek geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd.</p><p>Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Waalre (De heer F. Niessen) en diens adviseur (mevrouw R. Berkvens van de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant) hiervan per direct in kennis te stellen.</p>
提供机构:
Econsultancy
创建时间:
2019-08-30



