five

Bureauonderzoek, Verkennend Booronderzoek en Karterend Booronderzoek Archeologie Plangebied LCW locatie Rhenen, Utrechtsestraatweg 230 te Remmerden gemeente Rhenen

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-xr3-fqns
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB), Directie West te Den Haag een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied LCW locatie Rhenen aan de Utrechtsestraatweg 230 te Remmerden, gemeente Rhenen (zie Afbeelding 1). Het betreft een bedrijfsterrein met een groot aantal opstallen (56.668m2) met een te onderzoeken oppervlakte van circa 50.000 m2 Het betreft de kadastrale percelen Gemeente Rhenen Sectie H Perceel 5764 - 6081 - 6345 – 3086. Het onderzoek wordt uitgevoerd in verband met de voorgenomen verkoop van het terrein door RVOB, waarbij een risico analyse gemaakt wordt van de te verwachten archeologische waarden in het plangebied. Het bureauonderzoek toont aan dat er zich mogelijk archeologische vindplaatsen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd in het plangebied zouden kunnen bevinden. Door heideontginnning en het bebouwen van het gebied met het Logistiek Centrum tussen 1958 en heden, heeft waarschijnlijk voor een aanzienlijke bodemverstoring gezorgd.Onbekend is echter tot hoe diep de bodem daadwerkelijk is verstoord. Uit boringen uit de omgeving blijkt dat het dekzand zich tussen de 95cm en 120cm onder maaiveld bevindt. Naar alle verwachting is de verstoring in het bouwdeel tenminste tot op het dekzand.Het eerddek ter plaatse is volgens de bodemkaart minimaal 50 cm dik. Onderzoek van RAAP (1995) ten zuidoosten van het plangebied heeft uitgewezen dat de dikte van de humushoudende bovenlaag in het algemeen ca. 30 cm bedraagt. Dit wijkt af van de bodemkaart. Naar verwachting heeft de aanwezigheid van het (dunne) eerddek geen beschermend effect gehad op het archeologisch bodemarchief.Het RVOB heeft laten weten dat op de locatie LCW Rhenen vooralsnog geen herontwikkelingen/bouwactiviteiten buiten het bebouwd oppervlak zullen plaatsvinden. Voor het plangebied geldt het regime dat bij een geplande bodemingreep met de gemeente en diens archeologische adviseur afgestemd wordt welke vorm van onderzoek moet plaatsvinden. In overleg met de archeologisch adviseur van gemeente Rhenen, is afgesproken om in eerste instantie een verkennend archeologisch bodemonderzoek uit te voeren, om de intactheid van de bodem te toetsen.Op basis van de onderzoeksinspanning van het verkennend bodemonderzoek, waarbij met name in het centrale en oostelijke deel van het plangebied intacte bodems zijn aangetroffen, adviseren wij om ter plaatse van de intacte bodems per verkennende boring twee aanvullende karterende boringen te zetten. Dit houdt in dat er in totaal 24 karterende boringen gezet zullen worden in het centrale deel en het oostelijke deel van het plangebied (de roze zones in bijlage 4). De boringen worden gezet rondom de boringen met een intacte bodemopbouw en hebben tot doel om de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen te kunnen toetsen. De boringen worden volledig uitgezeefd over een metalen zeef met een maaswijdte van maximaal 2 mm om eventueel aanwezige archeologische indicatoren (oa. mirco-debitage prehistorie) te kunnen traceren.Na beoordeling van de resultaten van het verkennend booronderzoek door de regioarcheoloog van de ODRU (drs. P. de Boer), is op 29 augustus 2014 conform de uitgangspunten van het Plan van Aanpak een karterend booronderzoek uitgevoerd. Op verzoek van het RVOB heeft het karterend onderzoek zich beperkt tot het gedeelte van het terrein dat niet in erfpacht is uitgegeven. Dit houdt in dat het noordelijk deel van het plangebied niet onderzocht is en dat alleen rondom de intacte boringen 8, 13, 19 en 20 in het centrale deel en zuidelijke deel van het plangebied aanvullende karterende boringen zijn gezet. Op grond van de onderzoeksresultaten van het karterend booronderzoek kan geconcludeerd worden dat bij boring 31 t/m 34 sprake is van een grotendeels geroerde bodem, waarbij archeologische indicatoren ontbreken. Voor dit deel van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd.Ter plaatse van boring 35 t/m 38 daarentegen is met uitzondering van boring 38 sprake van een intacte eerdlaag waarin bij boring 37 een scherf handgevormd aardewerk uit de Late IJzertijd en/of vroeg Romeinse tijd is aangetroffen. Dit geldt eveneens voor boring 38. Hier is een relevante indicator (eveneens handgevormd aardewerk) aangetroffen in de geroerde A/C-horizont, maar beide zijn indicatief voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de Late IJzertijd en/of vroeg Romeinse tijd, waarvan het sporenniveau in de top van de grindrijke smeltwaterafzettingen (C-horizont) verwacht mag worden.Op grond van deze resultaten adviseren wij om de blauw gearceerde zone rond boring 19, 20 en 35 t/m 38 in bijlage 4, waar sprake is van een mogelijke intacte archeologische vindplaats uit de Late IJzertijd en/of vroeg Romeinse tijd (vermoedelijk een erf of meerdere erven met huisplaatsen), te vrijwaren van toekomstige bodemingrepen. Indien behoud in situ niet gegarandeerd kan worden, dan adviseren wij om de vindplaats verder te onderzoeken door middel van één of meerdere proefsleuven, om de exacte horizontale en verticale begrenzing en de aard en exacte ouderdom van de vindplaats te kunnen vaststellen.Dit rapport en het selectieadvies zijn op 31-10-2014 getoetst door gemeente Rhenen (mw. K. Koopman) en diens adviseur, drs. P. de Boer van de ODRU. Zij gaan akkoord met het bovenstaande advies, maar willen er hierbij op wijzen dat dit advies enkel betrekking heeft op de delen waar verkennend en/of karterend booronderzoek kon worden verricht. In een deel van het plangebied kon geen booronderzoek worden uitgevoerd en is niet bekend of hier nog een intact bodem aanwezig is (met name parkeerplaatsen/wegen). In de delen die relatief licht tot in de C-horizont zijn verstoord kan nog steeds sprake zijn van behoudenswaardige archeologische resten. Deze zijn enkel met gravend onderzoek op te sporen (zie ook opmerking over 'nog te onderzoeken terrein' in bijlage 4).Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de verantwoordelijke beleidsadviseur archeologie van de gemeente Rhenen.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务