Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Heidelaan 4 te Eemnes, gemeente Eemnes
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-xqg-ffhk
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van Buro Ontwerp & Omgeving een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, gelegen op het erf van Heidelaan 4 te Eemnes, gemeente Eemnes. De ontwikkeling omvat de bouw van een nieuwe rijhal en een agrarisch bedrijfsgebouw ter plaatse van een paardenbak, weiland, te slopen bebouwing en te demonteren stapmolen. Het plangebied waar de bodemingrepen zullen plaatsvinden is ca. 2.100 m² groot. De exacte diepte van de bodemingrepen is in dit stadium nog niet bekend, maar zal door de fundering van het gebouw dieper liggen dan de vrijstellingsgrens. De toekomstige gebruiker blijft de huidige bewoner van Heidelaan 4.Op de archeologische beleidskaart in 2011 en in het bestemmingsplan Buitenrand 2012 heeft het plangebied een hoge archeologische waarde. De gemeentelijke eis is om KNA conform archeologisch onderzoek uit te voeren bij plangebieden groter dan 200 m² en bij bodemingrepen dieper dan 30 cmmv. Vanwege de overschrijding van de vrijstellingsgrens is door Hamaland Advies een KNA conform bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tevens is voor het uit te voeren veldwerk in het onderzoeksgebied een Plan van Aanpak opgesteld.Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een lage tot hoge verwachting heeft voor vindplaatsen uit alle perioden. Bewoningsresten uit de prehistorie bevinden zich mogelijk in de top van het dekzand. Direct onder de bouwvoor bevinden zich de mogelijk nog sporen uit de Middeleeuwen of de Nieuwe Tijd en de Tweede Wereldoorlog. Door vervening zijn resten uit de periode IJzertijd-Romeinse Tijd-Volle Middeleeuwen waarschijnlijk verdwenen. Uitsluitend de diepere sporen in het dekzand zullen mogelijk bewaard zijn gebleven. De bodemverstoringen door agrarische bewerking bedragen naar verwachting maximaal 50 cm-mv (ploegdiepte). Potentieel aanwezige archeologische lagen uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd zijn daarmee mogelijk verstoord. Prehistorische bewoningsniveaus daaronder zijn mogelijk wel intact gebleven.De nieuwbouw zal een verstoring geven die dieper zal zijn dan 50 cm-mv en daarmee de top van het dekzand en de bovenliggende sedimenten en de bouwvoor verstoren. Op grond van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de vragen uit het Plan van Aanpak als volgt worden beantwoord:Wat is de bodemopbouw en de intactheid van het bodemprofiel binnen het plangebied?De natuurlijke ondergrond bestaat oorspronkelijk uit een gordeldekzandwelving met een (laar)podzolbodem. In het plangebied is echter maar in één boring een intacte podzol aangetroffen. In de overige boringen is sprake van een bodemverstoring tot in de top van de C-horizont op minimaal 60 cm-mv. De kans dat in het plangebied nog intacte archeologische vindplaatsen aanwezig zijn kan op basis van het veldonderzoek en de verstoring door de reeds aanwezige bebouwing worden bijgesteld naar laag.Kunnen er archeologische vindplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn en zo ja welke en waar (welke diepte) en in welke vorm?Daar waar nog een intacte bodem aanwezig is wordt deze aangetroffen vanaf 45 cm-mv (B-horizont). De top van het dekzand kan vanaf 55 cm-mv worden aangetroffen. De B-horizont en de top van de Chorizont zijn de niveaus waarop eventuele archeologische vindplaatsen aangetroffen kunnen worden in het plangebied. Echter, op basis van het veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het overgrote deel van het plangebied verstoord is tot minimaal 60 cm-mv en daarmee tot in de top van de Chorizont. De kans dat er nog onverstoorde archeologische vindplaatsen aanwezig zijn in het plangebied wordt dan ook als nihil bestempeld. Is aanvullend veldonderzoek door middel van karterende boringen en/of proefsleuvenonderzoek noodzakelijk?Op grond van de bovenstaande argumentatie achten wij vervolgonderzoek door middel van karterende boringen of proefsleuven weinig zinvol. De kans dat met de voorgenomen bodemingrepen archeologische vindplaatsen verloren zullen gaan is gering. Doordat de top van de C-horizont verstoord is, vermoedelijk als gevolg van de aanleg van de stoeterij met bijgebouwen en de stapmolen, is het potentiële spoor- en vondstniveau sterk aangetast. Uitsluitend zeer diepe sporen zoals greppels en waterputten kunnen nog in de diepere ondergrond bewaard zijn gebleven.Selectieadvies Hamaland Advies adviseert om het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling. De reden hiervoor is dat er geen aanwijzingen aangetroffen zijn die de aanwezigheid van vindplaatsen rechtvaardigen, zoals de aanwezigheid intacte bodems of oude cultuurlagen. Het intacte boorprofiel is in het centrum van het plangebied aangetroffen, alle andere boringen laten een verstoord bodemprofiel zien tot in de top van het aanwezige dekzand. Indien vindplaatsen aanwezig waren, zijn deze verstoord geraakt dan wel verloren gegaan als gevolg van de bodemingrepen die reeds gepleegd zijn bij de bouw van de stoeterij.Voorbehoud Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Met nadruk wijst Hamaland Advies erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (Gemeente Eemnes) en haar adviseur, dhr. B. Voormolen, die vervolgens een besluit nemen of vervolgonderzoek noodzakelijk is of niet. Het selectiebesluit van het bevoegd gezag kan daarbij afwijken van het selectieadvies van Hamaland Advies.Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden te verkleinen. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Eemnes.
创建时间:
2024-01-31



