Bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek (verkennende fase) Archeologie Plangebied Ammerzoden Noord, fase 1 en 2 te Ammerzoden, Gemeente Maasdriel
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-zx5-d7d4
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Hamaland Advies heeft in opdracht van BRO/Lycens een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek (verkennende fase) verricht voor de toekomstige woningbouwlocatie Ammerzoden Noord, fase 1 en 2. Het plangebied (fase 1 en 2) ligt in de bebouwde kom van Ammerzoden aan de Uilecotenweg tussen huisnummers 8 en 12. Fase 1 is ca. 24.300 m2 groot en wordt momenteel gebruikt als weide. Het meest westelijke deel van het perceel is in gebruik als akker. Fase 2 is 9.847 m² groot en in gebruik als weide. De uitbreiding heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde op de archeologische verwachtingskaart van gemeente Maasdriel. Daarom is archeologisch inventariserend onderzoek noodzakelijk in het kader van de Omgevingsvergunning (Bouwen) bij een verstoringsdiepte van meer dan 30cm en een oppervlakte groter dan 1.000m2. Fase 1 is in 2013 onderzocht en gerapporteerd onder onderzoeksnummer 2424705100 (Archis2 59.201). De rapportage van fase 1 is aangevuld met de resultaten van fase 2 en aan de KNA (versie 3.3) aangepast.ConclusieOp grond van de bestudeerde bronnen kan geconcludeerd worden dat het plangebied (fase 1 en 2) een hoge trefkans heeft op archeologische resten uit de periode van Romeinse Tijd tot en met de Nieuwe Tijd. Voor zover te herleiden op historische kaarten is het perceel altijd als weide/akker in gebruik geweest, waarbij in 1900 een zandweg over het westelijk deel van het plangebied gelopen heeft. Geschat wordt dat de bodem ter plaatse een verstoord bodemprofiel zal hebben vanwege de agrarische functie en de zandweg. Omdat de dikte van de bouwvoor vermoedelijk meer dan 30 cm bedraagt, kan het zijn dat diepere vondst- of cultuurlagen door bodembewerking nog behouden zijn gebleven.SelectieadviesUit het booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor van zandige klei die via een door bodembewerking ontstane menglaag of subrecent gevormde dunne akkerlaag overgaat in zandige oeverafzettingen van de Maas. De overgang tussen akkerlaag en de oeverafzettingen is geleidelijk. Daar waar sprake is van vermenging is de overgang scherp. Er is geen sprake van duidelijke bodemvorming (gelaagdheid), aangezien sprake is van ooivaaggronden. Archeologische bewoningslagen of vondstlagen ontbreken. De hoge verwachting op archeologische vindplaatsen wordt niet bevestigd door het booronderzoek. De kans dat voorgenomen graafwerkzaamheden een bedreiging vormen voor het archeologische bodemarchief is verwaarloosbaar. Hamaland Advies adviseert daarom om, zowel voor fase 1 als fase 2, geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.SelectiebesluitHet conceptrapport is op 22 september 2016 namens de Omgevingsdienst Rivierenland beoordeeld door de regioarcheoloog dhr. drs. H.J. van Oort en akkoord bevonden. De regioarcheoloog heeft het selectieadvies overgenomen en de voorgenomen ontwikkeling op het plangebied vrij gegeven. Er wordt géén archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. De nieuwbouw leidt niet tot de aantasting van archeologische niveaus. Er zijn geen indicaties dat er in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn binnen een diepte van 1,10 m-mv of worden verwacht binnen de onderzochte delen van het plangebied tot een maximale diepte van 1,10 m-mv. Onder deze diepte zijn of geen boringen gezet of is onverstoord moedermateriaal aangetroffen (in dit geval zandige oeverwal). VoorbehoudHet uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Ondanks de vrijstelling voor archeologisch onderzoek is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de sloop-, bouw-, sanerings- ot graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. Art. 5.10 Erfgoedwet.Opdrachtgever verplicht de aannemer(s) dan ook om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de graafwerkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten zo spoedig mogelijk te melden bij de Minister van OCW, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. De lokale overheid, i.e. de gemeente waar de toevalsvondst is gedaan, wordt door de melder tevens direct in kennis gesteld van de vondsten en /of sporen, zodat eventueel aanvullende acties ondernomen kunnen worden.
创建时间:
2024-01-31



