five

Bureauonderzoek waterstoftransportleiding Elim-Vlieghuis, tracévariant Coevorden II

收藏
DANS Data Station Archaeology2025-10-27 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/RAOZWG
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie is door Antea Group in juli 2024 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd met betrekking tot een tracévariant voor de aan te leggen waterstoftransportleiding A-820 tussen Elim en Vlieghuis. Het betreft een variant voor een beperkt deel (ca. 3 km) van het totale tracé (ca. 23 km).Het onderhavige bureauonderzoek heeft (uitsluitend) betrekking op de tracévariant Coevorden II, gelegen in Gemeente Coevorden. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg. Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Coevorden. Het plangebied is gelegen in cultuurgronden (agrarisch gebied). Het tracé doorkruist enkele wegen; van oost naar west: de Achterloo, de Oude Coevorderweg, De Loo, de Loosche Mars, en de N34. In het oostelijk deel van het tracédeel doorkruist het de waterloop van het Stieltjeskanaal. Het plangebied ligt in het keileemgebied van het Drentse zandgebied. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (circa 238.000 – 126.000 jaar geleden), werden door het landijs grondmorenes afgezet in de vorm van keileem van enkele meters dik (Formatie van Drente). De kadastrale minuut van 1811-1832 toont dat een groot deel van het plangebied toen nog verveend werd. Verder zijn er percelen bouwland, weiland en heide aanwezig. Ter hoogte van De Loo is een zone met enige bebouwing aanwezig, ongeveer 100 meter ten zuiden van het alternatieve tracédeel. Enkele honderden meters ten noorden van het plangebied zijn een aantal schansen aangeduid. Daarnaast zijn er ook al een groot aantal wegen en paden aangegeven. De historische topografische kaarten tonen dat het plangebied nadat het uitgeveend was, in gebruik werd genomen als landbouwgronden. Hierin is sindsdien weinig veranderd. De onderzochte bodem nabij het plangebied is in redelijke mate intact. Archeologische indicatoren uit voorgaand onderzoek dateren uit de prehistorie en de late middeleeuwen. Vooral voor de hoger gelegen gebieden zoals de aanwezige dekzandruggen en/of grondmoreneruggen/plateaus geldt een hoge verwachting voor archeologische indicatoren en/of sporen. Theoretisch gezien kan het gebied ook bewoond zijn geweest in de Romeinse tijd. Het is waarschijnlijk dat de bodem verstoord is geraakt door de turfwinning in het gebied. Het is echter niet bekend of hierbij ook de top van de C-horizont verstoord is. Ook latere landbouwactiviteiten, en aanwezige kabels en leidingen kunnen de ondergrond verstoord hebben. In de gradiëntzones op de flanken van dekzandruggen en grondmorenewelvingen zijn resten van jagersverzamelaars te verwachten. Op dezelfde dekzandruggen en grondmorenewelvingen kunnen daarnaast ook resten van boerengemeenschappen vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen te verwachten, afhankelijk van de mate waarin het veen op dat moment het lokale landschap overgroeide. Vanaf de late middeleeuwen en met name vanaf de 17e eeuw werd het veen in deze regio afgegraven en ontgonnen. Ter hoogte van De Loo, dat nooit door veen overgroeid is, zijn reeds bewoningsresten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd bekend (AMK 15308). Theoretisch gezien is het gebied bewoonbaar geweest tijdens de Romeinse tijd. Met name de dekzandruggen en grondmorenewelvingen zijn kansrijke zones voor het aantreffen van archeologische indicatoren. Antea Group adviseert tot het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) voor delen van het tracé die aangelegd worden in open ontgraving (zie kaartbijlage 491216.100-ADVIES voor een visuele weergave van het selectieadvies).Op basis van de huidige stand van zaken (let wel: zonder de werkstroken, ervan uitgaande dat er 1 boring per 50 strekkende meter gezet wordt (ook in gebieden met lage verwachting) zou dit neerkomen op 61 verkennende boringen Tracédelen die uitgevoerd worden door middel van een sleufloze techniek (uitgezonderd de in- en uittredepunten) en waar zich geen werkstrook bevindt kunnen worden vrijgegeven. Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Coevorden. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
创建时间:
2025-10-23
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务