Archeologisch vooronderzoek plangebied Nieuwstraat -Venestraat te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/DUGLSF
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Nieuwstraat-Venestraat te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 0,3 ha. Het betreft een locatie waar momenteel nog bebouwing aanwezig is. Het gaat om twee aan de weg gelegen appartementsgebouwen met een west-oost oriëntatie en 3 woonlagen. Het voornemen bestaat om het plangebied te herontwikkelen met nieuwe appartementsgebouwen. Op basis van de landschappelijke ligging en de aanduiding van voormalige bebouwing op de kadastrale minuutplannen zou hier in eerste instantie een hogere verwachting kunnen gelden. Uitgesplitst kan de verwachting als volgt geformuleerd worden. Binnen het plangebied geldt een lage tot middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van duintjes in de diepere ondergrond, met bewoning uit het Neolithicum/Bronstijd. De resten uit de Romeinse periode zouden kunnen voorkomen op strandwallen of op de flanken daarvan. De afdekkende veen- en kleiafzettingen kunnen archeologische waarden bevatten uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Binnen het plangebied worden geen resten van bovengronds en ondergronds militair erfgoed verwacht. Er kunnen in algemene zin wel resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen; hiervoor zijn echter ook geen directe aanwijzingen. Echter blijkt het plangebied in de laatste eeuwen behoorlijk verstoord te zijn, mogelijk door de aanleg van een sloot in de tweede helft van de 19e eeuw en de bouw van bebouwing ten noorden van deze sloot aan het begin van de 20e eeuw en in ieder geval door de bouw van de huidige flatgebouwen. Direct naast het plangebied is reeds een booronderzoek uitgevoerd waarbij de resten van de sloot zijn aangetroffen. Deze blijkt binnen het plangebied reeds een verstoring van 260 cm -mv te hebben veroorzaakt. Daarnaast bleek de top van het veen reeds verstoord te zijn en is geen veraarding aangetroffen, waardoor ook het niveau van de Middeleeuwse resten is aangetast of niet bewoonbaar is geweest. Ondanks deze constatering is wel een archeologisch indicator aangetroffen op een diepte van 225 cm – mv. Bij het booronderzoek is geen strandwal aangetroffen en op basis van de ahn en het historisch onderzoek is het niet aannemelijk om deze binnen het huidige plangebied te verwachten. Advies. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek adviseert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie in het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende/karterende fase) uit te voeren om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen en met name om de aanwezigheid van eventuele duintjes de en ligging van de getijdengeul met diens oevers te verifiëren. Dit booronderzoek kan ná de sloop van de huidige bebouwing en dient vóór de aanleg van de nieuwe funderingspalen plaats te vinden. Het bureauonderzoek heeft aangetoond dat de huidige fundering is aangelegd op het toenmalige maaiveld, waarna het maaiveld is opgehoogd en de fundering hiermee is aangevuld. De uitzondering zijn de funderingspalen waarop de huidige fundering steunt. De sloop van de huidige bebouwing vindt daarmee plaats binnen deze ophoging, waardoor de sloop geen verstoring zal opleveren aan het bodemarchief. De funderingspalen zullen worden afgehakt (koppensnellen), zodat ze gelijk aan het maaiveld zijn en je over de palen en het terrein heen kan rijden. Het booronderzoek kan na deze werkzaamheden plaatsvinden. Het booronderzoek dient uitgevoerd te worden met een maximale afstand tussen de boringen van 20 m, en een afstand van 15 m tussen de raaien. Hierdoor kunnen twee twee raaien van 7 boringen binnen het plangebied gezet worden en kan een duidelijk inzicht in de ondergrond worden verkregen. De boringen dienen minimaal tot 3 m diepte gezet te worden en één boring per raai dient tot minimaal 5 m te worden gezet. Op basis van de uitkomsten van het booronderzoek kan beter in kaart worden gebracht in hoeverre de funderingen van de nieuwbouw, de aanleg van de liftschacht en de aanleg van de berging op en direct in het maaiveld een verstoring kunnen opleveren. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een buffer van 30 cm boven een mogelijk archeologisch niveau. Indien de ingrepen dieper dan de buffer plaatsvinden dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Voor wat betreft de aanleg van de nieuwe funderingspalen dienen zo veel mogelijk de richtlijnen gevolgd te worden voor archeologievriendelijk bouwen, zoals weergegeven in de handreiking van de RCE. De toekomstige ingrepen bestaan naar verwachting uit het plaatsen van heipalen en WKO-lussen. De gemeente hanteert een maximale dichtheid voor heipalen van 2% van het te verstoren oppervlak. Indien heipalen een groter oppervlak uitmaken dan 2%, dan is vervolgonderzoek noodzakelijk. Een ander criterium voor heipalen is de onderlinge afstand van de heipalen. De gemeente heeft aangegeven dat de palen in rijen geplaatst moeten worden met een onderlinge tussenruimte van ca. 4,5-5 m tussen de rijen, zodat in de toekomst nog onderzoek mogelijk is (met het oog op de breedte/draaicirkel van een graafmachine). Het verdient dus de voorkeur om het palenplan hier op af te stemmen en voor te leggen aan de gemeente. De huidige geplande nieuwe heipalen vallen binnen de vooropgestelde 2%, namelijk 1,2 % binnen bouwblok 1 en 1,6% binnen bouwblok 2. De bouwlussen voor de WKO-bronnen zijn meegenomen in deze percentages. Daarnaast zal de onderlinge afstand tussen de nieuwe heipalen meer dan ca. 4,5-5 m zijn. Bij de berekeningen zijn de reeds aanwezige palen niet meegerekend, aangezien deze verstorende factor al aanwezig is. In het kader van archeologie vriendelijk bouwen dient rekening te worden gehouden met de onderlinge tussenruimte tussen de nieuwe en de oude funderingspalen om onderzoek in de toekomst nog mogelijk te maken. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, om een besluit te nemen ten aanzien van het al dan niet doorgaan of beëindigen van het onderzoeksproces (selectiebesluit). Ook wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het onderzochte gebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Naschrift. Op woensdag 5 oktober heeft het Bevoegd Gezag, A. Roeloffs, een beoordeling uitgeschreven per mail ten aanzien van dit bureauonderzoek. Hierin is aangegeven dat: o De ondergrondse sloop en dan met name de ontkoppeling van de vloeren-funderingsbalk en het afhakken van de funderingspalen dient archeologisch te worden begeleid. o De archeologische waarde stelling dient uitgevoerd te worden met een proefsleuven onderzoek i.p.v. een booronderzoek na dat de bovenbouw gesloopt is. o Wanneer uit het karterend en waarderend proefsleuven onderzoek blijkt dat er behoudenswaardige archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn en deze door de graaf, bouw en of heiwerkzaamheden worden bedreigd, dan dienen deze waarden te worden opgegraven en ex situ te worden behouden. o Voor het uitvoeren van een archeologische begeleiding, een proefsleuvenonderzoek en of een opgraving is een (door de gemeente) goedgekeurd PvE van eisen verplicht. Hierna hebben nog een aantal overleggen plaatsgevonden met de opdrachtgever en het bevoegd gezag, waarna onderhavig definitief rapport is opgesteld.
创建时间:
2024-01-31



