Transect-rapport 770: Inventariserend Veldonderzoek, waarderende fase. Almere, 3KNS - Indische buurt, over de oevers van de Eem. Gemeente Almere (FL).
收藏DANS Data Station Archaeology2014-07-07 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-X6U-3HHG
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In 2013 en 2014 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een tweetal gebieden op haar gemeentelijk grondgebied. Het eerste gebied betreft een gebied aan de Samarindenweg-Evenaar, gelegen in Almere-Buiten, het tweede gebied is een strook langs de Kivietstocht in Almere (Oosterwold). </p><p>Aanleiding voor het onderzoek vormt de vergunningsaanvraag van een tweetal projecten, namelijk de aanleg van vijf paviljoens langs de Evenaar en de aanleg van meerdere grondlichamen ten behoeve van een geluidskering. Voor beide gebieden geldt dat ze op de Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) (deels) als Selectiegebied staan aangegeven, waarvoor conform de vastgestelde Archeologienota 2009 een onderzoeksplicht geldt. </p><p>Bureau Archeologie en Monumenten acht het echter zinvol om het archeologisch vooronderzoek van beide projecten te combineren in een kwalitatief hoogwaardig onderzoek, waarbij de nadruk van het onderzoek ligt op het verzamelen van informatie en verkrijgen van inzichten omtrent de ontwikkeling van de zogenaamde Oude Getijdeafzettingen. Het onderzoek richt zich dus expliciet niet op het opsporen van behoudenswaardige vindplaatsen ter plaatse van de projectgebieden.</p><p>Op basis van het onderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: <br>1) Op basis van het onderzoek is lithologisch inzicht verkregen in de opbouw van een oeverwal in de Oude Getijdeafzettingen. Deze bestaat namelijk in de kern uit zand en sterk zandige klei, die in de richting van de overstromingsvlakte geleidelijk overgaat in matig zandige klei. 2) Er is amper sprake van bodemvorming in de top van de oude getijdeafzettingen. Er is lokaal sprake van half-gerijpte sedimenten (code 3), maar van intensieve rijping en krimpscheuren is geen sprake. Wel zijn in de top van de oeverafzettingen aan de Samarindenweg gips-concreties of aanzetten tot nodulevorming hiervan waargenomen. Mogelijk hangen deze samen met prehistorische grondwaterspiegelveranderingen, die tot de vorming hiervan geleid hebben. 3) Aan de Samarindenweg is binnen het onderzochte lithologische profiel geen sprake van een duidelijk zichtbare fasering op grond van het voorkomen van veenlagen. Wel bestaat het vermoeden dat reeds vroeg in het Holoceen sprake is geweest van getijdewerking, waardoor zich een altijd kwelderafzettingen hebben kunnen ontwikkelen. Deze zijn in het hele profiel aangetroffen in de vorm van een bruine, humeuze zandige klei. Op twee niveaus binnen deze humeuze klei zijn blauwgrijze, humusarme sedimenten aanwezig. Het vermoeden bestaat dat deze onder invloed van een transgressiefase hebben kunnen vormen: een ouder pakket bestaande uit overstromingsafzettingen en een jonger pakket oeverafzettingen. De top van beide afzettingen bevinden zich achtereenvolgens op een globale diepte van circa 8,0 en -9,3 m –NAP. 4) Oeverwallen zijn aan de Samarindenweg in het oostelijk deel van het profiel waargenomen en strekken zich naar verwachting in die richting verder uit. Ze zijn echter vermoedelijk als gevolg van erosie aangetast. Aan de Kivietsweg zijn duidelijke oeverwallen in beeld gebracht. De top van deze zijn intact gebleven. 5) Aan de Kivietstocht is wel sprake van een duidelijke fasering in de oude getijdeafzettingen, aangezien deze van elkaar gescheiden worden door veenlagen. Er zijn op basis van het lithologisch profiel in dit gebied twee fasen te onderscheiden. Op basis van de opbouw van de bovenste (jongste) fase, waarbinnen zandlagen aanwezig zijn, valt af te leiden dat de opvulling van de getijdegeul binnen de jongste fase ook gefaseerd is verlopen. <br>6) Aan de hand van C-14 dateringen zijn de afzettingen aan de Kivietstocht gedateerd. Uit de dateringen valt af te leiden dat de oudste fase in de periode tussen circa 4.800 en 4.600 v. Chr. heeft plaatsgevonden, terwijl de jongste fase rond 4.500 v. Chr. actief is geworden. In het gyttja onder de oudste fase van de oude getijdeafzettingen zijn reeds resten van brak-/-zoutwater planten waargenomen die op een reeds vroege mariene invloed in het Holoceen wijzen (zeeaster, snavelrupia). De vorming van deze eerste fase verliep vermoedelijk onder relatief laag energetische omstandigheden (open water, plassenlandschap), terwijl de jongste fase qua omvang veel krachtiger is geweest.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2014-07-08



