five

Archeologisch Bureauonderzoek Rosa en Rita Complex Paviljoen - Hagedoornplein 4

收藏
DataCite Commons2025-01-13 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/S5J1OG
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In opdracht van Buro Reikwijdte, stedenbouw en planologie, heeft Monumenten en Archeologie een bureauonderzoek opgesteld voor het Rosa en Rita complex, stadsdeel Amsterdam-Noord. Het onderzoek betreft het terrein achter de kloostertuin van het Sint-Rosaklooster en het daarnaast gelegen Sint-Ritakerk, langs het Hagedoornplein 4. Ter hoogte van de voormalige moestuin bestaan plannen om een paviljoen te realiseren voor een maatschappelijke (buurt) functie. Hierdoor wordt de voormalige moestuin een openbare ruimte. De met de plannen gepaard gaande grondroering vormt mogelijk een bedreiging voor het archeologisch bodemarchief. Om deze reden wordt in een vroeg stadium van de plannen onderzocht welke archeologische waarden precies aanwezig kunnen zijn. De diepere ondergrond van het plangebied bestaat uit dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Deze afzettingen worden verwacht vanaf circa NAP -12 m. Dit potentiële bewoningsniveau raakte overgroeid met basisveen vanaf ca. 10.000 jaar geleden. De aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten uit deze periode in (de omgeving van) het plangebied is niet uit te sluiten, maar de top van het dekzand ligt dusdanig diep dat dit niveau niet verstoord wordt door de geplande ingrepen. In de top van het kreek-oeverwallen en hoog opgeslibde kwelders van mariene zanden en kleien die tussen 8.000 en 4.000 jaar geleden werden afgezet op het basisveen, is ook bewoning mogelijk geweest. In (de directe omgeving van het) plangebied ligt de top van deze afzettingen echter op ca. NAP -5,00 à -6,00 m. Dit niveau wordt niet bedreigd door de geplande bodemingrepen. De top van het Hollandveen betreft tevens een potentieel bewoningsniveau. Het plangebied bevindt zich in het Waterlandse veengebied dat tussen de 10de en 13de eeuw werd ontgonnen. De bewoners vestigden zich op verhoogde huisplaatsen (‘terpen’), die hen beschermden tegen opkomend water in een inklinkend veenlandschap. Het Hollandveen ligt in grote delen van Waterland nog aan de oppervlakte op een hoogte van ca. NAP -1,50 m. Met de vorming van het IJ en de Buiksloterham vanaf de 12de eeuw is het Hollandveen plaatselijk geërodeerd tot een diepte van ca. NAP -4,0 à 5,0 m. Ten zuiden van het plangebied is ook in geologische boringen tot circa 4 m -mv opgebracht zand aangeboord (NAP -1,70 m, maaiveld: NAP +2,10 m). Eventuele bewoningssporen uit de middeleeuwse ontginningsperiode zijn hierdoor verstoord geraakt. Bovendien wordt de kans zeer laag geacht dat met de geplande werkzaamheden dit niveau zal worden verstoord. Vanaf de 12de eeuw maakte het plangebied deel uit van de Buiksloterham – een inham van het IJ. Volgens het historisch kaartmateriaal lag de voormalige waterbodem ter hoogte van het plangebied rond de NAP -2,30 m. In principe kunnen vanaf dit niveau materiële overblijfselen verwacht worden die samenhangen met het gebruik van het gebied voor lokaal verkeer over water. De enige samenhangende vindplaatsen zijn (kleine) scheepswrakken, maar deze hebben, mede gelet op de relatief kleine omvang van het plangebied, een zeer lage trefkans. In de vroege 19de eeuw werd de Buiksloterham in gebruik genomen als baggerdepot. Aannemelijk is dat hierbij voorwerpen elders uit de IJ-bodem in de Buiksloterham zijn bezonken. Eventuele vondsten hebben een wijde spreiding en hebben gezien de secundaire context weinig samenhang. De archeologische verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd is daarmee laag. Na inpoldering van de Buiksloterham in 1842 kreeg het plangebied een agrarische functie. De polder werd in gebruik genomen als baggerdepot en raakte bedekt met een ophogingspakket van circa 2 m. In de late 19de eeuw heeft een boerderij nabij het plangebied gelegen, misschien deels binnen het noordwestelijke deel van het plangebied. Door ophogingen is de Buiksloterham polder uiteindelijk afgedekt met een ophogingspakket van circa 2 m, misschien plaatselijk zelfs dikker. De top van de ophogingslagen bevinden zich vermoedelijk vanaf circa 0,5 m -mv. Met de bouw van het kloosterterrein is deze boerderij gesloopt en is tussen 1926-1927 een moestuin gerealiseerd. Ook gedurende de tweede helft van de 20ste eeuw heeft het Rosa en Ritakerkcomplex grote veranderingen ondergaan, maar dit betrof nieuwbouw langs de Wingerdweg (1985), aan de oostzijde van de tuin (1994) en een speeltuin aan de noordzijde. Eventuele archeologische resten uit de 19de eeuw worden, indien deze nog aanwezig zijn, vrij direct onder het maaiveld verwacht. Dit betreffen waarschijnlijk resten van ophogingslagen, funderingsresten, beer-/waterputten, sloten en kuilen/greppels, en vondsten (keramiek, bouwmaterialen, glas, dierlijk bot, natuursteen, metaal, hout). Voor het nieuwe paviljoen in de moestuin worden een fundering tot 1,3 m -mv (270 m²) en een kelder tot 3 m -mv (100 m²) aangelegd. De trefkans op sporen uit deze periode is in principe hoog, maar gelet op de recente datering en de breuk in continuïteit met de voorgaande periode, is de archeologische waarde laag. Op basis van de geraadpleegde gegevens en vastgestelde lage archeologische waarde wordt geadviseerd om het plangebied vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek. Wel geldt conform art. 5.10 Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht. Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten of sporen zichtbaar worden van archeologisch belang, dan wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging. Het is aan het bevoegd gezag (Gemeente Amsterdam) om dit advies al dan niet om te zetten in een besluit.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-01-07
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务