Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Pandelaar te Gemert
收藏Mendeley Data2024-03-27 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-z3n-a5hu
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Op 20 mei 2016 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Pandelaar te Gemert. Het doel van het booronderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde specifieke verwachting te toetsen. Aan de hand van deze gegevens kunnen vervolgens adviezen over de aanwezige archeologische resten, of vervolgtraject worden opgesteld.Volgens de geomorfologische kaart ligt het centrale deel van het plangebied binnen een dalvormige laagte zonder veen. Het uiterste noorden en zuiden van het plangebied is gekarteerd als een dekzandvlakte. Volgens de bodemkaart komen binnen het plangebied gooreerdgronden, met grof zand voor. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat er hoogteverschil bestaat binnen de begrenzing van het plangebied. De laagte in de noordoosthoek hangt vermoedelijk samen met het beekje dat hier heeft gelopen en welke is te zien op de historische kaarten van het gebied. Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Gemert-Bakel ligt het plangebied binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5).Vindplaatsen van jager-verzamelaars bevinden zich voornamelijk op de flanken van hogere gelegen delen naar de beekdalen. Aangezien het plangebied relatief laag gelegen is en er geen vondsten uit de omgeving bekend zijn, geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Eventueel aanwezig resten worden onder de bouwvoor in de oorspronkelijke bodem verwacht. Aangezien geen afdekkende (eerd)laag (plaggendek) wordt verwacht, zijn eventueel aanwezige resten kwetsbaar voor bodemingrepen.Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire samenlevingen. In de beginperiode stapt men geleidelijk over naar landbouw en veeteelt en worden jagen en verzamelen steeds minder belangrijk. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Ook bij de agrarische samenlevingen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. Nederzettingsresten zullen zich met name op de hoge delen in het landschap bevinden, zoals de dekzandruggen en landduinen ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt minder hoog dan de ruggen. Er zijn geen vondsten uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen bekend in de directe omgeving. Het is echter niet uit te sluiten dat er resten uit de genoemde perioden aanwezig kunnen zijn. Om die redenen wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.Het plangebied ligt aan De Pandelaar, een oude verbindingsweg tussen Gemert en Erp. De huidige loop gaat terug tot circa 1820 maar kent vermoedelijk nog oudere voorgangers. Het plangebied is vanaf de vroege 19e eeuw in gebruik als wei- en hooiland, wat duidt op een natte ondergrond, derhalve vermoedelijk minder geschikt voor bewoning. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op grootschalige bodemverstorende activiteiten, behoudens eventuele ploegwerkzaamheden. Er heeft voor zover bekend vanaf in ieder geval begin 19e eeuw geen bebouwing gestaan die geleid zou kunnen hebben tot verstoring. Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Resten worden verwacht vanaf het maaiveldHet booronderzoek heeft uitgewezen dat bodemkundig gezien sprake is van een geroerd humeus dek (Ap-horizont) op òf een inspoelingsdek (B-horizont) òf direct op weinig veranderd en afgetopt uitgangsmateriaal (C-horizont). Ook de B-horizont is geroerd, want deze bevat sporen van de onderliggende C-horizont, vermoedelijk door ploegen. De bodem van het plangebied kan niet eenvoudig conform bodemkaart als een gooreerdgrond worden beschouwd. Er lijkt sprake van een overgang tussen gooreerdgrond en podzolgrond. Dit beeld past bij de ligging van het plangebied, op de overgang tussen lager gelegen natter gebied en een dekzandrug.Intacte archeologische waarden worden binnen het plangebied niet verwacht, omdat alleen sprake is van een geroerde B-horizont in het uiterste noordwesten, in de rest van het plangebied is echter sprake van omzetting tot in de C-horizont. Naar verwachting zijn daarmee ook eventuele voorheen aanwezige archeologische resten verdwenen, er kunnen eventueel alleen nog restanten van dieper ingegraven sporen (kuilen, greppels, waterputten enz.) worden gevonden. Het aangetroffen bodemtype (overgang gooreerdgrond naar podzolgrond), duidt erop dat de bodem altijd te nat is geweest en derhalve minder of niet geschikt voor bewoning. Dit wordt ondersteund door het gebruik van het plangebied als wei- en hooiland en de beekloop die in de noordelijke punt van het plangebied heeft gelopen en ook werd aangetroffen in boring 3. Gezien de beperkte intactheid van de bodem binnen het plangebied en omdat de bodem vermoedelijk altijd te nat is geweest voor bewoning, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren.
创建时间:
2023-06-28



