Het graf van de loden lady in de Burchtstraat. Een opgraving door Romeinse en jongere lagen in het centrum van Nijmegen, van de Ganzenheuvel tot aan het Kelfkensbos
收藏DataCite Commons2025-10-27 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/ZSN17G
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Aanleiding
In het voorjaar van 2001 werd Nijmegen verrast door de ontdekking van twee bijzondere Romeinse graven tijdens een archeologisch onderzoek van Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen bij de vervanging van het riool in de Burchtstraat. Allereerst ging het om een tufstenen askist met daarin de gecremeerde resten van een man, en niet veel later volgde zelfs een loden sarcofaag waarin een vrouw begraven was. Deze laatste vondst is uniek voor Nederlandse begrippen en de vondst kwam al snel bekend te staan als het graf van de Loden Lady. Op basis van voorlopig onderzoek leek het om een vrouw te gaan uit de elite van het Nijmegen rond het begin van de 4e eeuw, begraven langs de doorgaande route van de Hunerberg naar het Waterkwartier, net ten noorden van het laat-Romeinse grafveld in de binnenstad. Het vrijleggen van het skelet van de vrouw genereerde veel media-aandacht en aansluitend begon men vanuit (toen) Museum Het Valkhof met de conservering en restauratie van de loden sarcofaag en de grafgiften. Van het skelet werd een afgietsel gemaakt en van de schedel een gezichtsreconstructie, zodat eind 2005 het graf kon worden tentoongesteld in het museum. De overige vondsten die bij het onderzoek waren aangetroffen werden samen met alle contextgegevens over de bijzondere grafcontexten opgeslagen in het gemeentelijke archeologische depot, in afwachting van nader onderzoek en publicatie.
Opgespoord verleden
Deze gelegenheid bood zich aan toen in 2022 vanuit het gemeentelijke coalitieakkoord 2022-2026 voor een periode van vier jaar een jaarlijks budget beschikbaar werd gesteld voor de ontsluiting en publicatie van oud archeologisch onderzoek, dat de basis voor het archeologiebeleid en de input voor visualisaties in de openbare ruimte moet versterken. Binnen het daartoe opgezette programma Opgespoord verleden bleek het project Gm3 (Grote Markt/Burchtstraat) - waarbij men de Loden Lady had aangetroffen - bijzonder geschikt om uit te werken en voor het grote publiek te ontsluiten. De loden sarcofaag was immers vanwege de tijdelijke sluiting van het museum eind 2022 beschikbaar gekomen voor onderzoek. En zodoende kon nu ook de samenhang van het graf met de overige vondsten uit de opgraving in de Burchtstraat nader bestudeerd worden. Vanaf mei 2024 zijn de sarcofaag en de askist zelfs weer tentoongesteld in het tijdelijke onderkomen van het (nu) Valkhof Museum aan het Keizer Karelplein, met daarbij een overzicht van de resultaten van het lopende onderzoek.
Kuilen en graan uit Oppidum Batavorum
Tijdens de uitwerking is duidelijk geworden dat bij het onderzoek tijdens de rioleringswerkzaamheden, die zich uitstrekten van de Ganzenheuvel in het westen tot aan het Kelfkensbos in het oosten van de Nijmeegse binnenstad, vooral in de Burchtstraat vele resten uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen. Ze zijn beduidend ouder dan de bijzondere grafcontexten en kunnen globaal gedateerd worden in het midden van de 1e eeuw na Chr. (circa 40-70). In de profielen van de rioolsleuf in de Burchtstraat zijn de resten van paalsporen, kuilen, mogelijke greppels, kelders, misschien zelfs een latrinekuil en een enkel crematiegraf gedocumenteerd, die verbonden kunnen worden aan het vroeg-stedelijke centrum Oppidum Batavorum. Deze nederzetting lag tussen circa 10 voor Chr. en 70 na Chr. ter hoogte van het oostelijke deel van de binnenstad tot aan de Hugo de Grootstraat. Op basis van de sporen en vondsten uit de Burchtstraat weten we nu dat deze nederzetting zich in de midden van de 1e eeuw tot aan de Grote Markt uitstrekte. Daarnaast wijst een verspit crematiegraf er wellicht op dat zich in de vroegste bewoningsperiode nabij het Kelfkensbos een klein grafveld bevond.
Een bijzondere vondst voor de bewoningsgeschiedenis van Oppidum Batavorum is de volgestorte kuil met veel verbrande resten van aardewerk, houtwerk, huttenleem en bovendien meer dan 12 kg graan. Het verkoolde graan kon naar soort worden gedetermineerd en dit geeft een unieke blik op de voedseleconomie van deze nederzetting. Zo blijkt het grootste deel van het graan - spelt en enig broodtarwe - afkomstig te zijn uit zuidelijke streken, zoals Noord-Gallië (het huidige noorden van Frankrijk en aangrenzende zuiden van België), en met graantransporten naar Nijmegen gekomen te zijn. Het is goed denkbaar dat hiervoor het Romeinse leger verantwoordelijk was, aangezien ook de troepen op het Kops Plateau bevoorraad moesten worden. Een iets kleiner deel van het graan was daarnaast van een regionale herkomst, mogelijk uit het rivierengebied (emmertarwe) en zelfs ten noorden van de Rijn (rogge). De graanvoorraad, die al tekenen van ontkieming en dus mogelijk bederf vertoonde, moet tegelijk met het gebouw waar het zich in bevond in vlammen zijn opgaan. Het is niet ondenkbaar dat dit is gebeurd bij de verwoesting van Oppidum Batavorum tijdens de Bataafse Opstand (69/70). Hierna bleef het terrein van de nederzetting grotendeels verlaten en lange tijd buiten intensief gebruik, totdat men ook hier langs de doorgaande oost-westroute, die vermoedelijk ten zuiden van de huidige Burchtstraat heeft gelegen, hun doden ging begraven.
De Loden Lady en andere graven
Uit het hernieuwde onderzoek naar de bijzondere begravingen is gebleken dat deze globaal dateren uit het laatste kwart van de 2e eeuw en/of het begin van de 3e eeuw, pakweg rond het jaar 200. Niet alleen de menselijke resten en grafgiften uit de sarcofaag (graf 1) en de askist (graf 2), maar ook een derde crematiegraf (graf 3) uit de Burchtstraat blijkt uit deze periode te stammen. Dit maakt duidelijk dat het graf van de Loden Lady zich niet aan de rand van het laat-Romeinse grafveld in de binnenstad bevond, maar deel uitmaakte van het grote grafveld van de midden-Romeinse stad Ulpia Noviomagus. De stad in het Waterkwartier kende tussen circa 70 en 280 aan de oost- en zuidzijde een uitgestrekt grafveld met vooral vele honderden crematiegraven. Langs de doorgaande weg richting het oosten, die globaal het tracé volgde van de (Lange/Stikke) Hezelstraten, Grote Markt, Burchtstraat, Kelfkensbos en St. Jorisstraat zijn zeker vanaf het midden van de 2e eeuw meerdere bijzondere, geprivilegieerde graven aangelegd. Net als de gecremeerde overledenen uit de graven 2 en 3 blijkt dus ook de Loden Lady vermoedelijk een inwoner van de Romeinse stad te zijn geweest. Alleen al het feit dat ze begraven is en niet gecremeerd, maakt haar begraving bijzonder. De introductie van het lijkbegraven deed in Nijmegen rond het begin van de 3e eeuw zijn intrede, waarschijnlijk als onderdeel van nieuwe godsdiensten uit het oostelijke deel van het Romeinse rijk. Het graf van de Loden Lady moet een van de vroegste lijkbegravingen zijn geweest, een voorbeeld dat geleidelijk meer navolging kreeg, onder andere in een grafgroep nabij de Marialaan in Nijmegen-West.
Wie de vrouw in de sarcofaag precies was, blijft voorlopig nog een vraag. Ze is tussen de 35 en 45 jaar oud geworden, was hooguit 1,65 lang en haar skeletresten wijzen erop dat ze van haar rug last gehad moet hebben. Haar grafgiften bestonden naast glazen flesjes voor cosmetica-artikelen uit benen naalden en een haardspeld. Deze attributen kunnen een aanwijzing zijn dat zij iemand was die veel belang hechtte aan het hebben of maken van ingewikkelde kapsels, waarvoor deze benen voorwerpen werden gebruikt. Hoewel een sarcofaag van lood een kostbare grafkist was, die we vooral bij de bovenlaag van de samenleving aantreffen, zijn er redenen om aan te nemen dat de Loden Lady zelf niet per se een domina, ofwel de vrouw des huizes was. Zo was haar sarcofaag van ruim 2 m lengte veel te groot voor haar eigen persoon. Daarnaast lijkt de kist binnenstebuiten gekeerd te zijn, aangezien de veelvoorkomende parellijstversiering hier aan de binnenzijde zit, en niet aan de buitenzijde, zoals gebruikelijk. Ook ontbrak er het loden deksel, en rustte er nog slechts een bakstenen vloertegel als afdekking op de houten ombouw van de sarcofaag. Redenen om te veronderstellen dat de sarcofaag niet primair voor deze begraving vervaardigd is geweest, al gaat het wellicht te ver om te stellen dat deze echt tweedehands is geweest. Bovendien heeft de vrouw niet alleen een opvallend eenzijdig gesleten gebit, maar ook versleten ruggenwervels. Wijst dit er misschien op dat ze lichamelijk fysieke arbeid heeft verricht en in dienst was als kapster of kleedster bij een welvarende familie? Het is evenwel de vraag of vrouwen in een dergelijke, ondergeschikte positie een dermate voorname begraving in een loden sarcofaag gekregen kunnen hebben. Er was in ieder geval genoeg geld om haar te kleden in een gewaad of met schoeisel dat was versierd met gouddraad of goudbrokaat. En mogelijk hebben er nog meer luxe grafgiften aan haar voeteneinde gestaan, die op een later moment uit de sarcofaag zijn ontvreemd. De ogenschijnlijk prominente locatie langs de voornaamste verbindingsweg van Romeinse Nijmegen is wellicht een extra aanwijzing voor de elite-status van de overledene.
Het bestaande beeld van de Loden Lady is door het gemeentelijke onderzoek al danig veranderd en hopelijk leidt de toepassing van natuurwetenschappelijke technieken nog tot meer nieuwe inzichten. Zo kan het lopende isotopenonderzoek in het kader van het onderzoeksprogramma Constructing the Limes meer informatie verschaffen over haar herkomst, en dat van het lood van de sarcofaag. Daarnaast is een aDNA-onderzoek geïnitieerd dat de mogelijkheid biedt meer te weten komen over haar genetische achtergrond, alsook details die vervolgens voor een nieuwe gezichtsreconstructie kunnen worden gebruikt. Uiteindelijk moet dit alles leiden tot een nieuw en completer verhaal over de Loden Lady, dat in het vernieuwde Valkhof Museum kan worden gepresenteerd.
Overige sporen en vondsten
Het feit dat in de Burchtstraat deze graven bewaard zijn gebleven, is niet geheel vanzelfsprekend. De sarcofaag bevond zich dan wel op een diepte van 3 m onder het straatplaveisel, op circa 29,20 m +NAP, maar de askist lag slechts 40 cm diep, met de bovenkant van het deksel op 31,40 m +NAP. Het lijkt erop dat de bodem in dit deel van de binnenstad oorspronkelijk reliëfrijker was dan tegenwoordig. Dit kan ook verklaren waarom de twee afdekkende cultuurlagen op sommige plekken in de Burchtstraat dikker waren dan elders in de straat. Egalisaties en latere verstoringen hebben flinken happen uit de middeleeuwse en Romeinse cultuurniveaus genomen. De onderste en lichtst gekleurde cultuurlaag 5020 zal vanaf de vroeg-Romeinse tijd zijn ontstaan, terwijl de bovenste, donkere en veel dikkere cultuurlaag 5015 niet alleen de sporen van Oppidum Batavorum afdekt, maar ook de vulling van de midden-Romeinse grafkuilen en (vermoedelijk) laat-Romeinse grachten heeft opgenomen. Mogelijk is dit laatste cultuurpakket in de loop van de Romeinse tijd ontstaan, getuige de vele (verspitte) vroeg-Romeinse vondsten hierin, en uiteindelijk verder opgehoogd tot in de middeleeuwen. Uiteindelijk werd het afgedekt door de vroegste wegpakketten van de middeleeuwse Burchtstraat. In het westen, nabij de Grote Markt ligt dit niveau tussen 29,20 en 29,60 m + NAP, en in het oosten, nabij het Kelfkensbos, tussen de 31,85 en 32,35 m +NAP.
De jongste Romeinse sporen zijn twee grachten die samen de buitenste dubbele omgrachting van de laat-Romeinse versterking op het Valkhofplateau vormden. De beide grachtsporen in het oostelijke deel van de Burchtstraat konden niet volledig gedocumenteerd worden, maar de afwezigheid van enig middeleeuws vondstmateriaal doet vermoeden dat de sporen in die tijd alweer waren opgevuld. De middeleeuwen bleken ook elders in het onderzoeksgebied nauwelijks vertegenwoordigd door sporen en vondsten. Pas uit het begin van de nieuwe tijd (en later) stammen enkele resten van kelders, die zich relatief ver vooruitgestoken buiten de rooilijn van de 19e-eeuwse bebouwing in de Stikke Hezelstraat en Burchtstraat bevonden. Dit past bij het verschijnsel van kelders die vanaf de straat toegankelijk waren en vanuit de huizen deels onder het trottoir en de straat uitstaken. Hoewel dit in Nijmegen al eerder was vastgesteld, behoeft deze bouwwijze zeker aandacht bij toekomstig bodemonderzoek. Ander substantieel muurwerk uit de nieuwe tijd is alleen ter plekke van het woonblok tussen de (voormalige) Hoogstraat en het Kelfkensbos aangetroffen, alleen waren hier de mogelijkheden tot documentatie zeer beperkt.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2024-06-12



