Inventariserend veldonderzoek Herinrichting Jistrum
收藏DANS Data Station Archaeology2007-04-18 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XSS-X36U
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>Aanleiding voor onderzoek vormt de geplande aanleg van een natuurontwikkelingsgebied langs de Kuikhornstervaart. </p><p>Uit nabije vondsten blijkt dat het studiegebied vanaf het laat-Paleolithicum tot mogelijk het vroeg-Neolithicum is bewoond. De steentijdbewoning concentreerde zich waarschijnlijk op de hogere delen in het landschap. Zone 1 is aangegeven op de FAMKE. Het betreft de periferie van een vuursteenvindplaats aan de westelijke oever van de Kuikhornstervaart. Zone 2 is eveneens op de FAMKE aangegeven. Dit betreft een zandkop waar mogelijk steentijdresten te verwachten zijn. Door planaanpassing worden in zones 1 en 2 geen bodemverstorende werkzaamheden verricht. Uit het AHN (bijlage 6) blijkt dat zone 3 eveneens een verhoging – waarschijnlijk een zandkop - in het landschap is. De hogere delen in het landschap waren favoriete locaties voor seizoensgebonden bewoning in het laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Door een stijgende grondwaterspiegel en veengroei werd het gebied na het Mesolithicum te drassig voor bewoning of akkerbouw. Vermoedelijk is de grond sinds het bestaan van Jistrum in de Late Middeleeuwen in meer of mindere mate als grasland gebruikt. Dit betekent dat er vermoedelijk niet of nauwelijks is geploegd, waardoor de bodem nog redelijk goed intact kan zijn en eventuele archeologische waarden zich in een redelijk intacte archeologische context direct onder het veen of bouwvoor kunnen bevinden. </p><p>Door de hoge drassigheid van het gebied is post-mesolithische bewoning tot aan de Late Middeleeuwen onwaarschijnlijk. Vanaf de late Middeleeuwen is sprake van veenontginningen. Her en der worden veenterpen opgeworpen, welke dienen als basis voor de veenontginning. Op de AHN en historische kaarten zijn geen aanwijzingen voor veenterpen aangetroffen. </p><p>Het veldonderzoek bevestigt dat het bodemprofiel grotendeels intact was. In een aantal gevallen bevindt de bouwvoor zich rechtstreeks op het pleistocene zand. In andere gevallen bevindt zich een veenlaag op dit zand of gaat de veenlaag direct over in een keileemlaag. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen welke kunnen duiden op de aanwezigheid van veenterpen in het gebied. Het ontbreken van een podzol maakt het niet mogelijk te bepalen of de top van het pleistocene zand – de prehistorische bewoningslaag – intact is. Er zijn echter aanwijzingen dat dit niet het geval is: in cluster 3, een zandopduiking, bevindt de (dunne) bouwvoor zich direct op het pleistocene zand. In deze cluster zijn een aantal megaboringen geplaatst zonder dat archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Vermoedelijk is de zandkop afgetopt en/of opgenomen in de bouwvoor. In het onderzoeksgebied zijn een drietal andere clusters geïdentificeerd. Het pleistocene zand ligt in deze clusters relatief hoger. Waarschijnlijk betreffen deze verhogingen de hellingen van zandkoppen, die buiten het onderzoeksgebied liggen. In het onderzoeksgebied zijn in diverse boringen lagen gevonden waarin brokken klei en veen voorkomen. Dit wijst erop dat gedurende het Holoceen verstoringen door waterinvloeden hebben plaatsgevonden. Gezien de grote kans dat archeologisch waardevolle bodemlagen verstoord zijn, wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.</p>
创建时间:
2007-04-19



