five

Transect-rapport 2994: Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en verkennend booronderzoek (IVO-O). Kortgene, Prinsendijk 17a-c, gemeente Noord-Beveland (ZL).

收藏
DANS Data Station Archaeology2021-03-17 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XZD-TD7D
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>In september 2020 is een gecombineerd archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Prinsendijk 17a-c te Kortgene (gemeente Noord-Beveland). De aanleiding voor het onderzoek vormt het voornemen een nieuwe werktuigberging/stro-opslag te realiseren achter de bestaande bebouwing. De nieuwe loods krijgt een oppervlakte van 15 x 25 m (ofwel 375 m2). Het onderzoek vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning die hiervoor wordt aangevraagd.</p><p>Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied in de Frederikspolder, in het buitengebied van Kortgene. Het plangebied is in het verleden meermaals onderhevig geweest aan overstromingen. De zee heeft hierbij steeds een oud landschap ‘opgeruimd’, waarna jonge zeeklei is afgezet.</p><p>De eerste overstromingen traden in de omgeving van het plangebied reeds op vanaf het begin van het Holoceen (vanaf circa 10000 jaar geleden). In die periode steeg de zeespiegel, door het warmer wordende klimaat, dusdanig dat de zee greep kreeg op het land. Hierdoor hebben in het plangebied en de omgeving ervan overstromingen plaatsgevonden. Toen de zeespiegel aan het einde van het Neolithicum daalde, begon zich in het plangebied veen te vormen. De vorming van strandwallen zorgde ervoor dat er (na het ontstaan ervan) een relatief rustig milieu ontstond, zodat de veengroei nog tot en met de Laat-Romeinse tijd door kon gaan. Vanaf de 3e eeuw maakte het klimaat echter weer een ommezwaai, waardoor opnieuw overstromingen konden optreden. Volgens een geologische boring in de omgeving van het plangebied is hierbij al het oorspronkelijke veen verdwenen. Veen is, op basis hiervan, waarschijnlijk ook niet meer in het plangebied aan te treffen. Om deze reden geldt een lage verwachting voor de periode Laat-Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Omdat niet bekend was of bij de overstromingen in het plangebied ook de top van de oudere getijdeafzettingen (Laagpakket van Wormer) is verdwenen, gold op grond van het bureauonderzoek een middelhoge verwachting voor de periode Laat-Mesolithicum tot Midden-Neolithicum. Verder gold een middelhoge verwachting voor de periode Vroege-Middeleeuwen C-D en de Late-Middeleeuwen, omdat het plangebied in die tijd mogelijk nog bewoonbaar is geweest. Vanaf de Felixvloed van 1530 en de Allerheiligenvloed van 1532 is het plangebied, volgens historische kaarten, niet bewoond geweest. Hoewel volgens onderzoeken in de omgeving deze stormvloeden niet altijd even desastreus geweest zijn op het land, is het plangebied dus op basis van historische kaartgegevens niet bewoond geweest. Daarom geldt voor de Nieuwe tijd een lage verwachting.</p><p>Bij de boringen is geconstateerd dat het plangebied zich tot aan de bedijking na de Felixvloed en de Allerheiligenvloed bevond in een slecht bewoonbaar gebied. Op een diepte van circa 310-350 cm -Mv zijn de Afzettingen uit het Laagpakket van Wormer aangetroffen, die voorafgaand aan de veenvorming in het plangebied zijn afgezet. Sporen van bodemvorming, in de vorm van rijping of de aanwezigheid van een vegetatieniveau, zijn in de top van deze afzettingen niet gevonden. Dit duidt erop dat de afzettingen niet bewoonbaar zijn geweest. Op deze wadafzettingen ligt erosief begrensd een jonger pakket mariene afzettingen; het Laagpakket van Walcheren. Dit pakket heeft zich gevormd onder aquatische omstandigheden, wat erop duidt dat het plangebied in buitendijks gebied heeft gelegen. Aan de hand van een historische kaart van omstreeks 1650 bevond zich in het plangebied aan het begin van de Nieuwe tijd een getijdengeul. Aan de hand van de boringen is deze getijdengeul in het plangebied aanwezig geweest. Deze heeft gezorgd voor erosie van de top van de oudere afzettingen. De getijdengeul is naar verloop van tijd verland geraakt en opgevuld met zand. De top van de verlandingsfase is (sub)recentelijk afgetopt tot 50 cm -Mv voor het aanleggen van puinverharding. Aan de hand hiervan is de archeologische verwachting voor alle perioden tot en met de Late-Middeleeuwen laag. De lage verwachting voor de Nieuwe tijd blijft op grond van historische kaarten gehandhaafd.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2021-02-24
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务