five

Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. karterende boringen Watervoorziening Eemshaven, gemeente Groningen

收藏
DANS Data Station Archaeology2020-01-19 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XFS-USVW
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Antea Group projectnummer: 410134</p><p>In november 2019 heeft Antea Group een karterend archeologische booronderzoek (IVO-O, conform BRL4000, protocol 4003) uitgevoerd. Het uitgevoerde onderzoek betreft een deels verkennend en deels karterend booronderzoek en volgt op een eerder uitgevoerd bureauonderzoek (BRL4000, KNA protocol 4002) en een verkennend booronderzoek (BRL4000, KNA protocol 4003). </p><p>Het gebied stond in de late middeleeuwen onder invloed van het klooster van Wittewierum dat in de dertiende eeuw werd gesticht door Emo van Huizinge. Het klooster zelf is gelegen op een inversierug op een voormalige loop van de Fivel. De kloosters, waaronder dat van Wittewierum, speelden een grote rol in waterstaatkundige werken die landaanwinningen op de lager gelegen gebieden van het Noord-Nederlands kustgebied mogelijk maakte, zoals in het Centrale Woldgebied en de lager gelegen delen van Noordoost-Fivelingo. Echter, al vóór de stichting van het klooster te Wittewierum, vanaf de 10e eeuw, vonden dergelijke ontginningen onder particulier dan wel geestelijk initiatief vanuit moedernederzettingen plaats. Een tussen 1000 en 1200 gangbare wijze van ontginnen was door middel van een herhaaldelijke verschuiving van de ontginningsas, waarbij telkens podia in een reeks werden opgeworpen. Deze podia werden door de pioniers en ontginners bewoond. De voorkeur voor de (tijdelijke) vestiging lag hierbij op de natuurlijke verhogingen, zoals verzande geulen (inversieruggen). </p><p>Veel nu nog bestaande wegen in het gebied gaan terug op dergelijke ontginningsassen. Nabij het plangebied gaat het om de Meedelaan en de Kollerijweg. Aan beide wegen is door het kronkelig verloop de ligging op een inversierug meer dan duidelijk. Ook het klooster Wittewierum is gesticht op een inversierug bij een op dat moment (in de dertiende eeuw) al bestaand ontginningsdorp, genaamd Werum. Vermoedelijk is er in het dorp rond die tijd ook al een steenhuis (borg) aanwezig van een aanzienlijk persoon. </p><p>In het bureauonderzoek waren geen concrete aanwijzingen voor vindplaatsen, maar was wel een verwachting uitgesproken voor vindplaatsen. Vindplaatsen in dit gebied zouden kunnen bestaan uit overslibde podia of huiswierden uit de periode late ijzertijd, Romeinse tijd en late middeleeuwen. In deze omstreken zou bewoning uit die periodes in verband moeten worden gebracht met ontginning van het laaggelegen veen op kleigebied. Deze bewoning zal echter hoofdzakelijk plaatsgevonden hebben op inversieruggen. Deze zijn tijdens het booronderzoek niet aangetroffen. Ook de uiterlijke kenmerken van dergelijke vindplaatsen zouden in een boring moeten opvallen (zoals plaggenophoging, tuingrond etc.). Dergelijke lagen zijn niet aangetroffen.</p><p>Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren, zoals aardewerk of houtskool, noch archeologische lagen aangetroffen. De veraarde veenlagen die in diverse boringen zijn gezien (voornamelijk in deelgebied C, in mindere mate intact ook in zone B en D) zijn onder jonge overstromingslagen bedekt en vormen daarmee samen een gepreserveerd niveau uit de periode late middeleeuwen. </p><p>In de boorprofielen van de gekarteerde delen zijn echter geen directe aanwijzingen voor bewoning aangetroffen (archeologische lagen behorend bij podia) en ook geen inversieruggen, zodat er geen aanwijzingen zijn dat zich op het tracé een duidelijke woonplaats heeft bevonden. In en onder de veenlaag kunnen nog wel off-site resten aanwezig zijn, zoals ontginningsgreppels en afwateringsgeulen. De dunne bouwvoor zoals gezien in zone C duidt er op dat het gebied sinds de ontginning vooral, en misschien alleen, geschikt was voor beweiding. </p><p>Afgezien van deze off site-structuren wordt de kans op archeologische resten in het plangebied vrij gering geacht en wordt geadviseerd het tracé vrij te geven.</p><p>Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk archeoloog (F. Veenman, t. 14050) kan ook.</p>
提供机构:
Antea Group
创建时间:
2020-01-20
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务