five

Plangebied Meerstad West en ontsluitingsweg in Groningen

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x2p-dd63
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
1. Wat is er reeds aan booronderzoeksgegevens bekend?Onderzoeksgegevens van booronderzoek in het plangebied zelf ontbreken. Wel zijn er in de directe nabijheid van het plangebied boorgegevens voorhanden. Deze tonen wat betreft bodemopbouw vrijwel hetzelfde beeld als de bodemkaart en/of geomorfologische kaart.2. Zijn er archeologische vindplaatsen aanwezig?Bij het booronderzoek zijn geen concrete aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen aangetroffen. Alleen in boring 91 is in de klei op een diepte van 1,58 m –Mv (3,7 m –NAP) een houtskoolspikkel aangetroffen.3. Indien er sprake is van archeologische vindplaatsen, wat is dan de aard, omvang, kwaliteit en locatie (horizontaal en verticaal) van de archeologische resten? Zie vraag 24. Wat is de bodemopbouw en bodemgeografie? In het Hunzedal aan de westzijde van het plangebied bestaat de bodem uit klei, het dekzand is hier op de meeste locaties niet aangeboord. In de klei zijn op enkele locaties, aan de zuidwestzijde van het plangebied, humeuze niveaus aanwezig. In één boring (boring 31) is in de klei een laklaag aanwezig. Aan de noordwestzijde van het plangebied zijn relatief lichte kleigronden met silt- en zandlaagjes aangetroffen, deze zijn geïnterpreteerd als oeverafzettingen. Op de dekzandrug in het centrale en oostelijke deel van het plangebied bestaat de bodem uit veen op dekzand, waarbij zich in het dekzand in het overgrote merendeel van de boringen een podzol heeft gevormd. Rondom boringen 330, 331 en 360 is vermoedelijk een dobbe aanwezig, hier duikt het dekzand weg. Op de flanken van de dekzandrug bestaat de bodem voornamelijk uit (klei op) veen. In het merendeel van de boringen is het dekzand hier niet bereikt binnen 2 m –Mv. Uitzondering hierop zijn een aantal dekzandopduikingen rondom de boringen, 308, 370, 410 en 582. Het veen is vrijwel overal zwak tot matig kleiig aangetroffen, dus het gebied was nog wel onder invloed van de zee tijdens de veenvorming. 5. Is de bodemopbouw intact?De bodem is in het overgrote deel van het plangebied (afgezien van de bouwvoor) intact aangetroffen. In een tiental boringen (met name in de zuidwesthoek van het plangebied) is de bodem verstoord aangetroffen tot de maximale boordiepte (tussen 1,7 en 2,0 m –Mv; 2,98 en 3,58 m –NAP). In de zuidwestelijke zone en enkele boringen in het noordelijk deel van het plangebied is de bodem verstoord aangetroffen tot een diepte tussen 0,35 en 1,88 m –Mv (2,5 en 3,54 m –NAP). Onder de verstoring zijn in veel boringen nog archeologisch relevante niveaus intact aanwezig (zoals een laklaag en humeuze niveaus in de klei en een intacte podzolbodem in dekzand). 6. Hoe zag het paleolandschap er globaal uit?In het gebied ligt een door veen en klei afgedekt dekzandlandschap. De oorsprong hiervan ligt in de voorlaatste ijstijd, het Saalien, toen de Hondsrug en het Hunzebekken zijn gevormd. Deze laatste is een door ijs uitgeschuurd dal, dat later als afvoer van smeltwater dienst deed. In de laatste ijstijd, het W eichselien, bereikte het landijs Nederland niet. Er heerste hier toen een periglaciaal klimaat en er was weinig vegetatie. Hierdoor had de wind vrij spel op het aanwezige zand en deze werden dan ook regelmatig door de wind opgepikt en weer afgezet. Dit zand ligt als een deken over de oudere afzettingen heen, vandaar de term dekzand. In het plangebied bevindt zich vrijwel overal dekzand. In het oostelijk deel van het plangebied ligt dit binnen 2 m –Mv en in het westen, nabij het Hunzedal, duikt het dieper weg. In het Holoceen wordt het warmer waardoor het landijs smelt en het zeewater –en grondwater- stijgt. Het Hunzedal vormde de afvoer van water vanuit het achterland naar de huidige Waddenzee. Met het stijgen van het zeewaterniveau werd het dal, en ook delen daarbuiten, incidenteel overspoeld door zeewater. Het zeewater bracht kleideeltjes met zich mee, die werden afgezet op het in het Holoceen ontstane veen. Zo nu en dan was de kracht van het zeewater zo groot dat delen van het veen werden weggespoeld. Vanaf de late prehistorie steeg de zeespiegel veel minder hard. De Hunze meanderde rustig door het landschap en vormde hier en daar oeverwallen. Wel is haar loop nog een keer verlegd: in de ijzertijd lag deze op een andere plek dan in de middeleeuwen. Op figuur 3 is het reliëf van het dekzandlandschap weergegeven (diepte van het dekzand t.o.v. NAP). Dit dekzand duikt ongeveer ter hoogte van de sloot, die ten westen van de Ritahoeve ligt, behoorlijk steil naar beneden. Ook in de noordoostelijke hoek van het plangebied zien we dit verschijnsel. Aangezien in beide zones meestal nog veen aanwezig is in de boorprofielen is deze steile overgang niet veroorzaakt door erosie van het dekzand door de Hunze of door inbraken vanuit de zee. De steile flank was dus al aanwezig in de vroege prehistorie. Dergelijke steile overgangszones, gradiëntzones, waren in met name de steentijd, gewilde locaties voor bewoning. Het dekzand ligt op een diepte van ca. 3 tot 4 – NAP. Uit eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat dekzand op deze diepte rond het Midden Neolithicum overgroeid raakte met veen en daarmee niet meer aantrekkelijk was voor bewoning. Hieruit is af te leiden dat in het plangebied in het dekzand vindplaatsen te verwachten zijn daterend van het Laat Paleolithicum t/m het Midden Neolithicum (Trechterbekercultuur). 7. In welke mate stemmen de resultaten overeen met het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek?De resultaten komen vrij goed overeen. De verspreiding van klei- en veenafzettingen zoals afgebeeld in figuur 2, corresponderen in grote mate met de boorresultaten. De verwachting uit het booronderzoek kan nader worden gespecificeerd: a. dekzandlandschap: grotendeels intact, verwachting hoog voor vindplaatsen vanaf Laat Paleolithicum t/m Midden Neolithicum; b. veenlandschap: grotendeels verloren gegaan t.g.v. ontwatering, ontginning, lage verwachting; c. kleilandschap: grotendeels intact, verwachting hoog voor vindplaatsen daterend vanaf de IJzertijd, met name op oeverwallen (oeverafzettingen) en oude “loopvlakken” zoals vegetatiehorizonten.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务