five

Kolonel Palmkazerne, Crailo (gemeenten Bussum, Hilversum en Laren)

收藏
Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-x2z-zsuc
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In verband met de opdracht aan ADC ArcheoProjecten voor het uitvoeren van een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek voor het plangebied Kolonel Palmkazerne te Crailo (gemeente Bussum, Hilversum en Laren) is aanvullend bureauonderzoek gedaan naar de ligging van een vermoede schans.De schans zou deel uitmaken van een reeks van zeven aardwerken ten zuiden en oosten van de vesting van Naarden, die als onderdeel van de Hollandse Waterlinie in de periode 1914-1918 zouden zijn aangelegd. Tussen de schansen lag een droge gracht met een infanterie-borstwering.Tachtig meter erachter waren verbandplaatsen, telefoonposten, schuilplaatsen en dergelijke in een loopgravenstelsel.Vandaag de dag is nog slechts één van deze schansen in het landschap zichtbaar, namelijk de schans op de Bussumerheide, iets ten westen van het hier besproken plangebied. Tussen deze schans en het plangebied is verder in het zogenoemde Hobbeltjesbos nog een klein deel van de borstwering en gracht bewaard gebleven.Luchtfoto’s uit 1925 laten evenwel zien dat ook binnen het terrein van de voormalige Kolonel Palmkazerne oorspronkelijk een schans aanwezig was. Vergelijking van de luchtfoto en historische kaarten plaatst deze aan de westzijde van het plangebied. Opvallend is dat de schansen niet staan afgebeeld op de Bonnekaart van 1932, ondanks dat deze verder een zeer gedetailleerd beeld geven van de inrichting van het gebied.Aansluitend op het bureauonderzoek is in mei en juni 2014 binnen het plangebied een Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestond uit een verkennend booronderzoek, met in totaal 90 boringen, op veertien hiertoe geselecteerde terreindelen. Het gaat daarbij om zones waar ontwikkelingen zijn voorzien, echter buiten de huidige bouwvlakken.Aangenomen wordt dat ter plaatse van de huidige bebouwing de bodem dusdanig vergraven is dat hier geen archeologische resten meer zijn te verwachten. Dit is ingegeven door de veronderstelde ligging van archeologische resten direct onder het maaiveld.Uit het booronderzoek komt naar voren dat de ondergrond van het plangebied wordt gevormd door gestuwde pleistocene formaties, bestaande uit grindhoudend, matig tot uiterst grof zand. Verder blijkt dat de natuurlijke bodem uit podzolgronden bestaat. Deze waarnemingen zijn in overeenstemming met de in het vooronderzoek uitgesproken verwachting.De podzolgronden in het plangebied worden gekenmerkt door een A-(E-)Bh/Bs-BC-C-profiel. In de terreindelen waar sprake is van een (restant van een) podzolprofiel is het potentieel archeologisch niveau nog behouden. Dit betreft met name de beboste delen in de randzones van het plangebied, in het bijzonder de noordoostrand, alsook verspreid langs de Nieuwe Crailoseweg en op het AZCterrein.Hier dient rekening te worden gehouden dat eventuele archeologische vondsten nog in onverstoorde ligging zijn en dat eventuele grondsporen nog bewaard zijn gebleven.Gezien het wijdverbreid voorkomen van podzolprofielen wordt aangenomen dat de A-(A/C)-Cbodemprofielen het resultaat zijn van grondverzet ten behoeve van de inrichting van het plangebied als militair oefen- en kazerneterrein. Bij dit grondverzet is de oorspronkelijk aanwezige podzolgrond vergraven of volledig ‘onthoofd’. Op grond van de dikte van E-, Bh/Bs- en BC-horizont in de intacte profielen bekent dit dat tenminste 40 cm van de top van de gestuwde afzettingen is verdwenen. Het potentieel archeologisch niveau is in deze terreindelen niet meer aanwezig. Alleen de onderkant van dieper ingegraven grondsporen zou nog aanwezig kunnen zijn. In veel gevallen zal gezien de dikte van de verstoorde lagen het grondverzet echter dusdanig intensief zijn geweest, dat het archeologisch bodemarchief volledig is vernietigd. Op basis van de ondiepe ligging van het potentieel archeologisch niveau mag tevens worden aangenomen dat ter plaatse van de bebouwde delen als gevolg van het bouwrijp maken van de grond en de aanleg van de funderingen het potentieel archeologisch niveau niet meer aanwezig is.ADC ArcheoProjecten adviseert om de zones waar tijdens het verkennend booronderzoek in aangrenzende boringen een grotendeels intact podzolbodemprofiel is vastgesteld nader te onderzoeken. Gezien de aanwezigheid van boomwortels, een soms sterk verdichte, zeer 6 droge en grindige bodem en de plaatselijk relatief diepe ligging van het potentieel archeologisch niveau wordt de uitvoering van een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek (fase 2 conform (concept)PvE 2008 en uitgangspunten 2014) niet als een werkbare optie beschouwd. Het boren met een Edelman met een diameter van 15 cm zal hier fysiek niet mogelijk zijn. Bovendien blijft ook bij een karterend booronderzoek de kans bestaan dat vindplaatsen die gekenmerkt worden door een zeer lage vondstdichtheid en/of omvang gemist zullen worden.Om bovengenoemde redenen wordt daarom de uitvoering van een Inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P) aanbevolen. Hiermee kan de gaafheid, omvang, datering en conservering van eventuele vindplaatsen onderzocht worden.Aanbevolen wordt verder om ook de exacte locatie van de uit 1914-1918 daterende schans middels een proefsleuvenonderzoek te bepalen. Dit in tegenstelling tot de in het (concept)PvE genoemde methode om deze middels grondboringen te lokaliseren. De reden hiervoor is dat de schans zelf inmiddels bovengronds geheel is opgeruimd. Hooguit zullen alleen nog dieper ingegraven elementen ervan, zoals de gracht/greppel rondom de schans in de ondergrond aanwezig zijn. Voor het middels grondboringen opsporen van een dergelijk relatief smal lijnelement is een zeer dicht boorgrid noodzakelijk. Zelfs indien het mogelijk blijkt om op de locatie een dergelijk dicht boorgrid te realiseren, is de kans groot dat een exacte lokalisering uiteindelijk vanwege de vele verstoringen op het terrein (kabel- en leidingsleuven, bomkraters, niet-gesprongen explosieven en dergelijke) niet mogelijk zal zijn.Vanwege de vele verstoringen, die de interpretatie van bodemlagen bemoeilijken, wordt de aanleg van proefsleuven aanbevolen. Voorgesteld wordt om aan de west- en zuidzijde van de vermoede locatie van de schans, ter hoogte van de gracht/greppel die het aardwerk begrenst, over een afstand van circa 30 tot 50 m een proefsleuf te graven. Nadat in de proefsleuven de positie van de gracht bepaald is, kan op basis van de aanname dat het een min of meer rond verdedigingswerk betreft de omtrek en locatie van de schans bepaald worden. De keuze om het booronderzoek aan de west- en zuidzijde uit te voeren is daarbij dan gebaseerd op het feit dat hier vandaag de dag geen sprake is van bebouwing en de kans groot geacht wordt dat de begrenzing van de schans hier nog relatief goed in de bodem bewaard is.De exacte invulling van het proefsleuvenonderzoek de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).In het overige deel van het plangebied wordt vanwege de aanwezigheid van vergraven of onthoofde bodemprofielen geen nader onderzoek noodzakelijk geacht. Benadrukt moet evenwel worden dat ook in deze hier zones plaatselijk nog sprake kan zijn van het voorkomen intacte podzolbodemprofielen. Deze zullen echter vermoedelijk in omvang beperkt zijn waardoor geen sprake meer zal zijn van een behoudenswaardige vindplaats.Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen.
创建时间:
2024-01-31
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务