Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Kabeltracé Opijnen-Heesselt-Meteren (gemeente West-Betuwe) - deelgebied 3
收藏DataCite Commons2026-02-27 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/FOVUPF
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In augustus-september 2023 is in opdracht van Liander N.V. door Antea Group een archeologisch inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen uitgevoerd voor een kabeltracé te Opijnen, Est, Neerijnen, Heesselt en Meteren in de gemeente West-Betuwe. Aanleiding voor het onderzoek is het leggen van een nieuw 10kV kabel voor het verzwaren van het huidige elektriciteitsnet. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. </p><p>
Voorafgaand is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd . Op basis hiervan konden enkele delen vrijgegeven worden door de aanwezigheid van kabels en leidingen of door dijkdoorbraken waardoor de bodem reeds verstoord danwel geërodeerd was. Ook de delen van het tracé die door middel van horizontaal gestuurde boringen (HDD) worden aangelegd, konden worden vrijgegeven. In de overige delen geldt een hoge verwachting op prehistorie en latere sedentaire bewoning op de hoger gelegen stroomgordels en crevassecomplexen. </p><p>
Een aantal zones werd door het bevoegd gezag aangeduid als ‘te begeleiden zones’. Voor de overige delen werd een verkennend booronderzoek geadviseerd. </p><p>
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek.
</p><p>
Op verzoek van de opdrachtgever werd het plangebied opgedeeld in deelgebieden en wordt voor elk deelgebied een separate onderzoeksrapportage opgesteld. Onderhavig rapport betreft deelgebied 3 (Afbeelding 1). </p><p>
Conclusies </p><p>
In het verkennend booronderzoek zijn in twee boringen oeverwallen aangeboord (boringen 76 en 79). In één van deze boringen zijn archeologische indicatoren in de vorm van houtskool, sporen bot en sporen aardewerk aangetroffen (boring 76). Dit duidt op een mogelijke vindplaats. Ook is het houtskool in boring 58 in het veld geïnterpreteerd als mogelijke vindplaats, hetgeen erop kan duiden dat de hier al verwachte vindplaats in noordelijke richting doorloopt (toponiem Hoogetieflaar; zaakid. 3068745100). De oeverwalafzettingen bevinden zich binnen de geplande werkzaamheden, waardoor eventuele resten dus verstoord worden. </p><p>
Daarnaast zijn in meerdere boringen de beddingafzettingen van verschillende stroomgordels aangeboord. Er waren echter geen aanduidingen voor bodemvorming in deze beddingafzettingen waardoor niet wordt verwacht dat deze aantrekkelijk waren voor bewoning. Ook is er in een groot deel van het plangebied enkel komklei aangetroffen. Hier geldt een lage verwachting. </p><p>
(Selectie)advies </p><p>
In een drietal boringen (58, 76, en 79) zijn aanwijzingen voor een mogelijke vindplaats aangetroffen. Deze zullen worden verstoord door de geplande werkzaamheden. Antea Group adviseert om rondom boringen 76 en 79 een karterend booronderzoek uit te voeren zodat bepaald kan worden of het hier inderdaad om een vindplaats gaat (zie afbeelding 4 en bijlage 480632-3-Advies voor een advieskaart). Een andere mogelijkheid is om deze delen van het tracé mee te nemen in de reeds geplande archeologische begeleiding (protocol 4003-proefsleuvenonderzoek). Dit laatste is ook het advies voor het gebied rondom boring 58 aangezien ten zuiden van de boring al sprake is van een te begeleiden deel. </p><p>
Voor de overige delen van het plangebied geldt dat er geen aanwijzingen zijn voor eventuele archeologische sporen en resten. Antea Group adviseert om deze delen van het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Wel blijft de aanwijzing van het bevoegd gezag voor het begeleiden van specifieke gebieden bestaan (zie afbeelding 4). </p><p>
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook en heeft de voorkeur. </p><p>
Voorafgaand aan het booronderzoek werden enkele delen van het tracé door het bevoegd gezag aangeduid als ‘te begeleiden zones’ (en bijlage advieskaart). Het gaat binnen deelgebied 3 om circa 1242m tracé, verdeeld over 2 locaties. De werkzaamheden op deze locaties dienen te worden uitgevoerd onder archeologische begeleiding (volgens protocol 4003-proefsleuvenonderzoek). </p><p>
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. </p><p>
Voor het uitvoeren van gravend onderzoek dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin de eisen en specificaties waaraan het proefsleuvenonderzoek moet voldoen worden vastgelegd. Dit PvE dient door het bevoegd gezag te worden getoetst en goedgekeurd. </p><p>
Bovenstaande is een advies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente West-Betuwe. </p><p>
Dit rapport was naar bevoegde overheid aangelegd en goedgekeurd. </p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-12-09



