five

Transect-rapport 2091: Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Lekkerkerk, Schuwacht 248. Gemeente Krimpenerwaard (ZH).

收藏
DANS Data Station Archaeology2019-03-06 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZVY-JTE7
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>In februari en maart 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Schuwacht 248 in Lekkerkerk (gemeente Krimpenerwaard). De aanleiding van het onderzoek wordt gevormd door het voornemen om binnen het plangebied een nieuw melkrundveestal te realiseren. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord.</p><p>Volgens het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied (2018) geldt in het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie. In het bestemmingsplan wordt aangegeven dat archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen beneden maaiveld. Het gebied valt echter op de archeologische beleidskaart binnen zonen WA-4. In deze zone wordt archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen waarvan de oppervlakte groter is dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1000 m2. Onder het gebouw zal een mestkelder aangelegd worden tot 180 cm -Mv waarbij de ontgravingsdiepte tot maximaal 250 cm -Mv zal reiken. Voor de fundering worden houten palen geslagen tot een diepte van 15,75 m -NAP. Aangezien de voorgenomen bouwplannen de planregels overschrijden, is in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek nodig.</p><p>Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied. Om de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen, en waar mogelijk bij te stellen, zal een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd moeten worden in het plangebied.</p><p>Conclusie<br>• Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied een hoge verwachting heeft op het aantreffen van archeologische waarden vanaf het einde van het Laat-Paleolithicum tot het Mesolithicum. Deze hoge verwachting hangt samen met de diepteligging van het verwachte rivierduin. Wanneer het rivierduin binnen een diepte van 8 m -Mv wordt aangetroffen, kon theoretisch bewoning plaatsvinden. Wanneer de Rivierduin binnen de 8 m -Mv niet wordt aangetroffen, geldt een lage verwachting voor Laat-Paleolithicum tot het Mesolithicum. <br>In de periodes hierna vormde zich veen en werd klei afgezet bij zee-inbraken. Vanaf de 11e eeuw is de omgeving van het plangebied verveend, en werd een dijk langs de Lek aangelegd. Hierbij werden kavels in cultuur gebracht, met vaak een boerderij, zo ook mogelijk binnen het plangebied. In 1421, tijdens de Sint-Elizabeths vloed brak de dijk door, 300 m ten oosten van het plangebied. Hierbij werden in een waaiervorm sedimenten rondom het uitkolkingsgat afgezet. Hierbij zijn de eventuele Laat Middeleeuwse archeologische resten in het plangebied mogelijk weggeslagen. Aan de hand van de kaart uit 1741 is te zien dat er langs de dijk bebouwing stond, maar dat het plangebied verder weg is gelegen, waardoor het mogelijk alleen voor landbouw werd gebruikt. Op de kaarten tot aan 1990 staat er binnen het plangebied geen bebouwing. De verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd is hierdoor middelhoog. <br>• Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de middelhoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek naar beneden bij te stellen. Uit het veldonderzoek blijkt namelijk dat het plangebied altijd zeer nat is geweest en overstroomd is. Hierdoor heeft het nooit bewoningsomstandigheden gekend. Er zijn immers geen veraarde veenlagen waargenomen en ook rivierduinzand, dat op basis van het bureauonderzoek mogelijk aanwezig zou kunnen zijn, ontbreekt. Het is niet uitgesloten dat er rivierduinafzettingen beneden 8,0 m -Mv aanwezig zijn; dit is immers ook gebleken uit een geologische boring ten zuidoosten van het plangebied. Deze afzettingen liggen echter zodanig diep, dat ze naar verwachting al zeer vroeg in het Holoceen verdronken zijn en begraven onder veen (zie Berendsen, 2008). Daarmee zijn deze diepe afzettingen minder geschikt voor bewoning geweest.</p>
提供机构:
Transect
创建时间:
2019-03-07
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务