Plangebied hart van Dieren, gemeente Rheden (Gld.) archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek.
收藏DANS Data Station Archaeology2007-01-14 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-XWZ-SGHM
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In opdracht van Gemeente Rheden heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de periode januari-februari en juli 2007 een bureau- en inventariserend veldonder- zoek uitgevoerd in het plangebied Hart van Dieren. Het onderzoek vond plaats in verband met de plannen om de provinciale weg door Dieren (gemeente Rheden), de Burgemeester de Bruinstraat, in een tunnel onder de grond te brengen. In het plangebied zijn 224 boringen gezet. Tijdens het veldonderzoek zijn in 140 van de 224 boringen (deels) intacte bodemprofielen vastgesteld. Deze worden gekenmerkt door podzolvorming met een B-horizont (inspoelingshorizont) en/of BC-horizont. Onder de bodemvorming is de natuurlijke ondergrond (C-horizont) aangetroffen. De bodem wordt in een groot aantal boringen afgedekt door een plaggendek, een menglaag of een verstoringslaag. De overige bodemprofielen worden gekenmerkt door diepe verstoringen met een maximale diepte van 200 cm -Mv. Tijdens het veldonderzoek zijn vijf nieuwe vindplaatsen gedefinieerd. De vindplaatsen 1, 4 en 5 zijn vastgesteld aan de hand van een duidelijk cluster van archeologische indicatoren. Er lijkt sprake te zijn van de aanwezigheid van een nederzettings- terrein of de nabije ligging van een nederzettingterrein. De vindplaatsen 2 en 3 betreffen lokaal aangetroffen vondsten (geen duidelijke concentraties). De vondsten moeten gezien worden als aanwijzing voor nederzettingterreinen in de nabijheid van de desbetreffende vindplaatsen, maar vermoedelijk niet als aanwijzingen voor een nederzettingterrein op de locatie zelf. Vanuit archeologisch oogpunt wordt geadviseerd om binnen de grenzen van de vindplaatsen 1, 4 en 5 geen werkzaamheden uit te voeren die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Bodemingrepen dieper dan 30 cm dienen hier te worden voorkomen. Indien behoud van de vindplaatsen 1, 4 en 5 in de huidige bodemkundige staat niet mogelijk is, dient, voorafgaand aan de vergunningverlening voor bodemingrepen, vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door middel van een waarderend proefsleuvenonderzoek. Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek dient het bevoegd gezag een afweging te maken ten aanzien van de definitieve bestemming van deze drie vindplaatsen. In het overige plangebied wijzen de lokaal aangetroffen archeologische indicatoren waarschijnlijk op nederzettingterreinen die in de nabijheid van het plangebied gelegen hebben. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en het veld- onderzoek is er getracht een onderscheid te maken in zones waarbinnen grotendeels (deels) intacte bodemprofielen verwacht worden en zones waarin aaneengesloten diepe bodemverstoringen vermoed worden. Voor de zones met grotendeels intacte bodemprofielen geldt dat de aanwezigheid van archeologische resten en grondsporen niet uitgesloten kan worden. Hier kunnen naast nederzettingssporen onder andere ook (niet effectief door middel van booronderzoek te karteren) grafvelden aanwezig zijn. Het wordt derhalve aanbevolen om de grondwerkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het uitvoeren van de plannen archeologisch te laten begeleiden. Het betreft hierbij grondwerkzaamheden die dieper gaan dan de ter plekke aanwezige afdekkende laag (het plaggendek, de menglaag of het verstoringspakket). In de aaneengesloten zones met diepe bodemverstoringen lijken de archeologisch interessante lagen geheel verstoord. Vanuit archeologisch oogpunt zijn dit de gunstigste locaties voor de meest ingrijpende inrichtingsplannen. De kans op het voorkomen van intacte archeologische sporen is hier klein. In deze zones kunnen geplande ingrepen zonder beperkingen ten aanzien van archeologische resten worden uitgevoerd. Wel maken wij u erop attent dat bij iedere gravende activiteit het aantreffen van (niet voorspelbare) toevalsvondsten niet kan worden uitgesloten. Indien hiervan sprake mocht zijn, dient de overheid (RACM) hiervan op de hoogte te worden gesteld in het kader van de meldingsplicht (Monumentenwet 1988, Artikel 47).</p>
提供机构:
RAAP Archeologisch Adviesbureau
创建时间:
2007-01-15



