five

Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen 10 kV tracé Epe e.o. fase 1 (gemeente Epe)

收藏
DataCite Commons2025-10-27 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/ZXEUTW
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In maart 2025 is in opdracht van Liander N.V. door Antea Group een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) uitgevoerd voor Kanaalstraat, Rozenkampweg, Blaakweg en Ravenstraat in Epe (gemeente Epe). Aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van een nieuwe 10 kV verbinding. Het booronderzoek volgt op een advies uit het eerder opgestelde bureauonderzoek.1 Voor de aanleg van de 10 kV tracé wordt een sleuf gegraven van circa 1,4 meter diep. De breedte van de sleuf is aan het maaiveld circa 1,4 meter en op het diepte punt van de sleuf circa 0,5 meter. Nadat de kabel is aangelegd wordt de sleuf weer gedicht zodat het gebied weer in gebruik genomen kan worden als voor de ingreep. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Voor aanvang van het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld.2 Verwachting uit het bureauonderzoek Landschappelijk gezien ligt het plangebied op een overgang van een stuwwallandschap (in het westen) naar het IJsseldallandschap (in het oosten). Dat houdt in dat het hoger gelegen deel in het westen, de flank van de stuwwal, een zeer geschikte locatie was voor bewoning in de prehistorie (met name de steentijd). Buiten het onderzoeksgebied zijn wel veel vuursteenvindplaatsen aanwezig, maar binnen het onderzoeksgebied zijn weinig indicatoren voor dergelijke vindplaatsen. Zo is er aan de oostzijde van de A50, net buiten het onderzoeksgebied, een vuursteenvindplaats aangetroffen. Een waarneming in ARCHIS laat ook zien dat in het meest zuidelijke deel van het onderzoeksgebied eind jaren ’40 een opgraving van een vuursteenvindplaats is uitgevoerd. Het plangebied ligt echter ook in een zone waar voornamelijk meerdere droogdalen en daluitspoelingswaaiers aanwezig zijn. Beide duiden weer op een nat milieu en een laaggelegen landschap. Vanaf het neolithicum begon in grote delen van Nederland de veengroei invloed te krijgen op het landschap. Vele delen werden hierdoor eigenlijk te nat voor bewoning en ook in de droogdalen en in het oostelijke deel van het plangebied ontstond veengroei. Op de delen waar nog een dekzandrug of welvingen in het landschap aanwezig zijn, de hoger gelegen delen van het landschap, kunnen eventueel nog resten uit de steentijd worden aangetroffen. Resultaten inventariserend veldonderzoek, verkennende fase De bodem is bijna volledig opgebouwd uit zand. In enkele boringen zijn lagen van veen of leem waargenomen. In boringen 43 – 48 en 50 is een relevante bodem herkend bestaande uit een enkeerdgrond waarin mogelijk een fossiele akkerlaag aanwezig is, met daarboven een plaggendek onder een moderne bouwvoor. Dit betreft een enkeerdgrond die ondanks de ligging in bermsituatie redelijk intact lijkt te zijn. In boringen 2 (noordelijk) en 49 (zuidelijk) zijn verstoringen waargenomen. Waar het in boring 2 om een dunne veenlaag gaat direct onder de bouwvoor, betreft het in boring 49 een verstoring tot circa 1 m -mv. Daarnaast zijn de lagen onder de bouwvoor in boring 41 en 42 (zuidelijk) geïnterpreteerd als mogelijke slootdempingen. Duidelijk herkenbare verstoringen van kabels en leidingen zijn niet waargenomen. Op plaatsen waar sprake is van verstoorde lagen op C-horizont geldt dat geen relevante niveaus aanwezig zijn of worden verwacht. In het beekdal 35 – 42 worden ook archeologische lagen verwacht, maar daar kunnen in de beek omgezette zand wel verspoelde resten van vindplaatsen voorkomen. De kans is hierop theoretisch en met lage dichtheid; het betreft dan verspoelde vondsten zonder nadere context. Ter plaatse van de enkeerdgrond (boringen 43 – 51) worden resten verwacht ut de late middeleeuwen en nieuwe tijd, terwijl oudere resten niet kunnen worden uitgesloten. Voor eerdere perioden is de top van fossiele akkerlaag het meest relevant en kansrijk op archeologische mobilia die op de bewoningsgeschiedenis van dit deel van het plangebied wijzen. Dit komt neer op een diepte vanaf 0,7 m -mv. In zone 8 (boringen 43-51) is de archeologische verwachting na de veldtoets hoog getoetst: hier is een intacte enkeerdgrond aanwezig met mogelijk een fossiele akkerlaag aan de basis aanwezig. In de overige delen van het plangebied zijn geen relevante profielen aanwezig: de bodem is hier (vaak door recente omwerking) omgewerkt tot in de C-horizont, waarbij eventuele podzolprofielen zijn verstoord. Duidelijke enkeerdgronden zijn verder ook niet herkend. In één zone is sprake van een beekdal, welke niet op basis van het bureauonderzoek werd verwacht. Gezien archeologische indicatoren van de late middeleeuwen en nieuwe tijd direct onder de bouwvoor en oudere archeologische indicatoren op een diepte vanaf 0,7 m – mv. verwacht worden met daarbij de verstoringsdiepte tussen 0,8 en 1,4 m -mv. zal zijn, worden de eventuele archeologische resten verstoord. Door een eventuele tracéwijziging kunnen eventuele resten gespaard blijven in de bodem. Echter dient hiervoor wel een nieuw onderzoek te worden opgesteld. Advies Antea Group Ter plekke van boringen 43 – 51 wordt geadviseerd tot het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek - proefsleuven, variant archeologische begeleiding (protocol 4003). Voor het overige deel van het tracé geldt archeologische vrijgave. Revisiebeheer Dit rapport (revisie 00, d.d. 11 – 04 – 2025) betreft de eerste uitgifte die voorgelegd zal worden aan de bevoegde overheid ter beoordeling. Het bureauonderzoek is in een eerder instantie voorgelegd aan het bevoegd gezag en deze heeft ingestemde met het advies. Voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-10-22
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务