Archol Rapport 564 Twee graven uit de Merovingische tijd en een nederzetting uit de volle middeleeuwen op de Kop van Leeuwenhoek
收藏DataCite Commons2026-02-23 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/5MNNYE
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Archol heeft in opdracht van Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden in 2018 en 2019 twee opgravingen uitgevoerd in plangebieden Kop van Leeuwenhoek en Kop van Leeuwenhoek‐Oost. Aanleiding was de ontdekking van middeleeuwse nederzettingssporen bij proefsleuvenonderzoeken in 2015 en 2019. Tijdens de twee opgravingen zijn in een centraal rechthoekig gebied van ca. 150 x 50 m drie vindplaatsen aangetroffen. De sporen van alle drie de vindplaatsen zijn op hetzelfde stratigrafische niveau onder de bouwvoor gevonden, namelijk bovenin een afgetopte zavelige tot zandige oever; op een diepte van 0,20 tot 0,70 m – NAP. De oever die is afgezet door de nabijgelegen Oude Rijn, blijkt in het zuiden en oosten omgeven door een laagte: een zone waar voorafgaand aan alle bewoning ooit een geul heeft gestroomd. De oudste vindplaats stamt uit de vroege middeleeuwen, uit ca. 550‐650 n. Chr. Op de kop van de oever zijn twee parallelle graven met een skelet uit de Merovingische tijd aangetroffen. Het gaat om twee volwassen mannen die grafgiften hebben meegekregen. De grafgiften bestaan onder andere uit een sax, een lanspunt, twee messen en een gesp. De oudste van de twee blijkt op een opvallende wijze begraven, namelijk op een baar of in een kist, waarin secundair scheepshout is verwerkt. Mogelijk is simpelweg gebruik gemaakt van oud, afgedankt hout. Het scheepshout kan echter ook symbolisch verwijzen naar een reis of naar verre werelden. De graven liggen geïsoleerd. Wel is ca. 100 m verder in de laagte ten oosten van de oever nog een kaakfragment van een volwassen man gevonden, die op grond van 14C‐datering ook tot de Merovingische tijd is te rekenen. Vermoedelijk gaat het om een speciale depositie binnen deze specifieke lage en natte landschappelijke context. De graven en de depositie passen in samenstelling en landschappelijk ligging goed bij het beeld van reeds bekende graven uit de westelijk gelegen Merovingische nederzetting Oegstgeest‐Nieuw Rhijngeest, op slechts 320 m afstand. Het ligt dan ook voor de hand dat de doden van Kop van Leeuwenhoek oorspronkelijk in deze nederzetting hebben gewoond. De tweede vindplaats stamt uit de volle middeleeuwen en bestaat uit nederzettingssporen die zich over het gehele centrale gebied van 150 x 50 m uitstrekken. De nederzetting blijkt tussen ca. 1100 en 1275 in drie hoofdfasen te zijn bewoond. In fase 1 (1100‐1150) bevond de kern zich op de overgang van de zuidelijke laagte naar de meer centraal gelegen oever. De bewoning van fase 1 is verder op te delen in twee elkaar opvolgende huizen met bijbehorende waterkuilen. In de omgeving van Kop van Leeuwenhoek (‐Oost) zijn aanwijzingen voor een vernatting te vinden in de loop van fase 1. Dit verklaart mogelijk dat de bewoningskern in fase 2 (1150‐1200) wat naar het noorden is opgeschoven, hoger op de kop van de oever. Ook in deze fase zijn twee opvolgende huizen te onderscheiden met bijbehorende waterkuilen en ‐putten. In deze fase 2 valt tevens op dat de nederzetting in verschillende erven is ingedeeld door middel van smalle greppels. Ook in de laatste fase, fase 3 (1200‐1275) lijken sloten de nederzetting in verschillende zones op te delen. Duidelijke clusters paalsporen van huizen zijn echter niet gevonden te midden van deze sloten. Alleen in het zuidoosten was de ligging van een huis af te leiden uit het rechthoekig patroon van omliggende kuilen en de bijbehorende vondstconcentratie. Onderzoek heeft uitgewezen dat fase 3 samenvalt met een verandering in de bouwtraditie, die ook elders in het centrale kustgebied is waargenomen: de fundering op ingegraven palen wordt vervangen door een fundering op stiepen en/of balken. Opvallend aan fase 3 is ook de introductie van bakstenen binnen de nederzetting: niet in de opbouw van het huis, maar als steenvloer in de brandgevaarlijke haard. De ligging van het gereconstrueerde huis valt samen de laagte in het zuidoosten. Blijkbaar was in deze fase geen sprake meer van vernatting. De opgravingen van 2018 en 2019 hebben gezamenlijk ca. 13500 vondsten met een totaalgewicht van ca. 210 kg opgeleverd. De analyses van de verschillende vondsten wijzen voor de volle middeleeuwen op een landelijke nederzetting met agrarische activiteiten en huishoudelijke ambachten, uitgevoerd door en voor de bewoners van de nederzetting. Zo voorzagen de bewoners in hun eigen voedsel en levensonderhoud. Zij gebruikten daartoe alles wat hun dieren hun te bieden hadden, waaronder melk, vlees, vis, eieren, fysieke kracht en wol. Het dieet werd verder aangevuld met vegetarische producten zoals gerst, rogge en broodtarwe. Deze laatste 5 graansoort werd waarschijnlijk verbouwd op oeverafzettingen in de directe omgeving van de nederzetting. Naast graanakkers waren er ook moestuinen te vinden, waar erwt, en mogelijk ook knopherik of wilde radijs werd verbouwd. Los van dit algehele, zelfvoorzienende beeld vertoont de nederzetting toch enkele afwijkend kenmerken. De slacht van schaap/geit op hoge leeftijd en de metaalvondsten van een wolkam en scharen wijzen samen op een zekere specialisatie in schapenhouden en de wolverwerking. Mogelijk werd een deel van de wol verhandeld in de destijds opkomende stad Leiden die (kort voor) 1266 markt‐ en stadsrechten zou krijgen. Er zijn aanwijzingen dat de bewoners ook paarden verhandelden. Dankzij deze handel kregen de bewoners toegang tot aanvullende, professioneel gemaakte producten zoals schoeisel van leer en konden ze zich bij tijd en wijle enige luxe permitteren. De vondst van een bijzonder paardentuig, namelijk een fraai versierd riemverdeler, is daar een goed voorbeeld van. De bewoning kwam rond 1275 n. Chr. tot een eind. Hierna zou geen nederzetting meer herrijzen binnen Kop van Leeuwenhoek (‐Oost). Op nog geen 100 m afstand ten noordwesten, in plangebied Einsteinweg 1o1, zijn wel sporen van een nederzetting gevonden: boerderij Veldheim. Deze boerderij is rond 1450 opgericht; in een tijd dat ook elders rond de groeiende stad boerderijen verschenen om aan de toegenomen vraag naar voedsel en overige producten te voldoen. Deze boerderij is – met enkele onderbrekingen − tot in de 20e eeuw bewoond. De derde vindplaats van Kop van Leeuwenhoek (‐Oost) staat in relatie met deze bewoning van boerderij Veldheim. Deze derde vindplaats bestaat enkel uit verkavelingsloten uit de Nieuwe tijd. Het patroon van de sloten sluit aan op dat van plangebied Einsteinweg 101. Vermoedelijk hadden de bewoners van boerderij Veldheim het nabijgelegen terrein van Kop van Leeuwenhoek in gebruik als weide‐ of akkergebied. Historische kaarten wijzen uit dat de verkaveling van beide vindplaatsen in de Nieuwe tijd deel uitmaakt van een groter overkoepelende landinrichting, die gericht was op belangrijke ontginningsassen zoals de Oude Rijn en verschillende dijken. Deze assen die in oorsprong deels terug te voeren zijn op de eerste bewoning in de volle middeleeuwen, zijn zelfs tot op de dag van vandaag nog in het landschap ten noordwesten van Leiden te herkennen.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-02-16



