(25484.002) Eindrapportage archeologisch vooronderzoek Rooseveltstraat 32 in Drunen
收藏DataCite Commons2025-02-10 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/UBCFM0
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Gespecificeerde archeologische verwachting Vanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied alleen een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit het Neolithicum en een lage verwachting voor alle overige perioden. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied binnen een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden ligt, waarbij geen sprake is van een gradiëntsituatie. Tevens hebben in de directe nabijheid van het plangebied geen beekdalen of vennen gelegen. Voor jagers-verzamelaars vormde het plangebied geen gunstige locatie voor het ontplooien van tijdelijke bewoningsactiviteiten. De dekzandvlak-te is in de loop van het Neolithicum bedekt geraakt met veen en waarschijnlijk pas in de Late Middeleeuwen ontgonnen. Omdat de grondwaterstanden gedurende het Neolithicum sterk omhoog kwamen, was het plangebied vermoedelijk alleen in de eerste helft van het Neolithicum geschikt voor bewoning door (vroege-)landbouwers. Vanaf de Bronstijd tot in de Middeleeuwen zal het veengebied een ongunstige locatie voor bewoning zijn geweest. Vanaf de Late Middeleeuwen werd het veen in de omgeving van het plangebied ontgonnen. Mogelijk zijn toen ook de eerste lintdorpen in de omgeving van het plangebied ontstaan. De eerste vermeldingen van Drunen dateren uit het begin van de 13e eeuw. Het plangebied ligt echter buiten de strook van historische lintbebouwing van Drunen. Het plangebied behoorde tot het agrarisch buitengebied, binnen een gebied dat werd aangeduid als Voorste Vennen en aangeeft dat er tijdens de periode van grootschalig agrarisch gebruik sprake was van vaak natte bodemomstandigheden. Verder hebben bouwwerkzaamheden plaatsgevonden binnen het plangebied. In het meest westelijke deel van het plangebied hebben vanaf begin jaren ’30 tot begin jaren ’60 van de 20e eeuw tuinbouwkassen gestaan. De bestaande inrichting en openbare bibliotheek dateert uit begin jaren ’80 van de 20e eeuw. Reeds uitgevoerde archeologisch onderzoeken uitgevoerd meest nabij het plangebied hebben tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van archeologische waarden. Een enkel proefsleuvenonderzoek heeft alleen Nieuwe tijd sporen opgeleverd van agrarisch gebruik (ontginningsactiviteiten of oude percelering), welke zijn aangewezen als niet behoudenswaardig. Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten een sterk en diepgaande verstoorde bodemopbouw zien binnen het plangebied. Verstoorde lagen grond lopen door tot een variërende ondergrens van minimaal 130 en maximaal 185 cm -mv. De sterk variërende ondergrens duidt op bodemverstorende ingrepen tot verschillende diepten. Het humeuze zand bevat plaatselijk brokken van veen, als restanten van het voorheen aanwezige veendek. Ook komen lagen met vlekken van lichtgrijs gekleurd zand voor, wat zeer waarschijnlijk tot de oorspronkelijke C-horizont heeft behoord. Daarnaast is de overgang naar de huidige C-horizont sterk gevlekt/verrommeld. Het laat zien dat de bodem reeds intensief is omgewerkt, ten gevolge van waarschijnlijk agrarisch gebruik (diep doorploegen van de bodem om veen-restanten op te mengen met de zandige ondergrond) als door bouwwerkzaamheden en de huidige inrichting van het terrein. Restanten van het oorspronkelijk/van nature gevormde bodemprofiel zijn niet aangetroffen. De dikte van de humeuze zandlaag maakt dat er sprake is van een hoge enkeerdgrond, echter diepgaande bodemverstorende ingrepen hebben reeds plaatsgevonden. Humeuze zandlagen bevatten plaatselijk enkele fijne resten machinale baksteen en machinaal glas, met name in de boringen gezet in de westelijke helft van het plangebied. Zeer waarschijnlijk betreft dit sloopafval van tuinbouwkassen die in het westelijke deel en grenzend aan het westelijke deel van het plangebied hebben gestaan. Archeologisch relevante lagen zijn in de boringen verder niet waargenomen. Conclusie Op basis van de aangetroffen bodemopbouw blijkt dat er in het gehele plangebied diepgaande bodemverstoringen/vergravingen hebben plaatsgevonden, waardoor zowel het archeologisch potentiële sporen- als vondstniveau volledig verstoord is en eventueel voorheen hierin voorkomende archeologische resten dan ook niet meer in situ worden verwacht. Geconcludeerd wordt dat de middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen uit het Neolithicum bijgesteld dient te worden naar een lage verwachting. Voor alle overige archeologische perioden gold op basis van het bureauonderzoek al een lage verwachting en blijft dan ook behouden. Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden/de verstoorde bodemopbouw, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is verder raadzaam om ook de gemeente Heusden op de hoogte te stellen.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-02-06



