Archeologisch vooronderzoek in het kader van de geplande herontwikkeling van het plangebied Rooseveltstraat 65 te Leiden, gemeente Leiden
收藏Mendeley Data2024-01-31 更新2024-06-27 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/dans-zpx-uwc8
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Rooseveltstraat 65 te Leiden, gemeente Leiden. Het plangebied is momenteel bebouwd. Binnen het plangebied zullen circa 100 woningen worden gerealiseerd, waarbij vrijwel het gehele oppervlak zal worden bebouwd. Hiervoor zal een bouwkuip worden aangelegd tot ca. 2 m -mv. Voorafgaand aan deze ontwikkelingen dient in kaart te worden gebracht of hierdoor eventuele archeologische waarden worden bedreigd. Doel van het archeologisch vooronderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is eerst een bureauonderzoek uitgevoerd, op basis waarvan voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Vervolgens is deze verwachting in het veld getoetst door middel van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van het onderzoek is tenslotte een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), protocol 4002 Bureauonderzoek en protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie is binnen BRL 4000 gecertificeerd voor alle werkprotocollen op het gebied van archeologisch (voor)onderzoek en het opstellen van Programma’s van Eisen.Op basis van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Het plangebied gelegen is het estuarium van de Oude Rijn en specifiek op/aan een (zoetwater) kreek. De kreekbedding is door de tijd heen opgevuld met zand. Door inklinking van klei is het zandlichaam hoger komen te liggen ten opzichte van omliggende landschapselementen. Aangenomen wordt dat de mens relatief hoge delen van het landschap prefereerde voor (tijdelijke) bewoning. Op basis van het landschap worden er archeologische resten verwacht uit de Late Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd in de zandige (oeverwal/kreek)afzettingen samenhangend met de aanwezigheid van (het estuarium en loop van) de Oude Rijn. De aanwezigheid van eventuele bouwhistorische waarden (muurresten, funderingsresten, en vloeren) of andere archeologische resten uit de Nieuwe Tijd wordt op basis van historisch kaartmateriaal niet verwacht. Tot aan 1965 is het plangebied alleen in gebruik geweest als weiland. De verwachting beperkt zich daarom tot de perioden Late Bronstijd-Late-Middeleeuwen en betreft in de regel kleinere vindplaatsen met een omvang van minder dan 50 tot 1.000 m2. De diepte van de resten hangt af van de aanwezigheid van ophogingslagen/verstoringen. Vanwege de nabijheid van de Neue-Landfront linie moet rekening worden gehouden met resten van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen die dateren uit de Tweede Wereldoorlog.Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek heeft Vestigia Cultuurhistorie & Archeologie in geadviseerd het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Dit booronderzoek is uitgevoerd op 26 februari 2020. In de boringen is bouw-/ophoogzand aangetroffen tot een diepte van 140 tot 195 centimeter beneden maaiveld. Onder de opgebrachte zandpakketten zijn fluviatiele (kreek)afzettingen aangetroffen (kom-, oever en beddingafzettingen). In deze rivierafzettingen zijn in de drie noordelijke boringen begraven bodems en laklagen vastgesteld. Er zijn tijdens het veldonderzoek verscheidende bodems/laklagen aangetroffen, aanwijzingen voor de aanwezigheid van een oud maaiveld, hetgeen kan duiden op een periode dat het gebied geschikt was voor bewoning. Op basis van de boorresultaten is de archeologische verwachting voor het plangebied daarom onveranderd hoog en kunnen mogelijk archeologische waarden worden verwacht vanaf een diepte van 2 meter beneden maaiveld. Vervolgonderzoek is daarom aan de orde indien bij de gravende werkzaamheden het niveau van deze bodems/laklagen wordt bereikt.AdviesOp basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is de archeologische verwachting voor het plangebied onveranderd hoog voor archeologische resten uit de perioden Late Bronstijd-Late-Middeleeuwen. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert dan ook in het noordelijke (onbebouwde) deel van het plangebied vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserende veldonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren indien binnen het plangebied werkzaamheden plaats zullen vinden die de ondergrond verstoren tot een diepte van meer dan 1,75 meter beneden maaiveld (hierbij is een buffer van 25 centimeter in acht genomen). Door middel van dit proefsleuvenonderzoek kan worden bepaald of er daadwerkelijk archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Indien uit dit blijkt dat er in het noordelijke deel van het plangebied een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is komt ook het zuidelijke deel van het plangebied in aanmerking voor vervolgonderzoek. Het bevoegd gezag, de gemeente Leiden, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Leiden, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.NaschriftHet bevoegd gezag, i.c. mevr. C. Brandenburgh van Erfgoed Leiden en Omstreken, heeft op maandag 26 oktober 2020 als volgt gereageerd op het conceptrapport d.d. 3 maart 2020: “De geplande werkzaamheden reiken dieper dan het bovenste archeologisch kansrijke niveau en archeologisch vervolgonderzoek is hierdoor noodzakelijk. In tegenstelling tot hetgeen in het rapport is geadviseerd, adviseren wij een andere aanpak. De reden hiervoor is dat rondom het huidige gebouw onvoldoende diep is geboord om de aan-/afwezigheid van de archeologische lagen aan te tonen. Uit archiefbronnen is bovendien bekend dat de bodem onder het huidige gebouw naar verwachting grotendeels intact is. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat het bodemprofiel onder het huidige gebouw afwijkt van hetgeen bij het booronderzoek is waargenomen. De voorgestelde strategie is als volgt: • Sloop van de huidige bebouwing. Vloeren en poeren kunnen hierbij verwijderd worden. Eventueel aanwezige paalfunderingen blijven in de bodem aanwezig tot na het archeologisch onderzoek. • Aanvullend booronderzoek in en rondom de huidige bebouwing teneinde de aanwezigheid van bodems en laklagen in beeld te brengen. 4 boringen is voldoende om het bestaande beeld aan te vullen. • Proefsleuvenonderzoek in het gehele plangebied m.u.v. de zones waar aantoonbaar geen sprake is van kansrijke archeologische lagen. • Indien bij het proefsleuvenonderzoek archeologische vindplaatsen aan het licht komen, moeten deze vooruitlopend op de nieuwbouw veilig gesteld worden middels een archeologische opgraving.”
创建时间:
2024-01-31



