Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek (23195.001) Landgoed Bingerden te Angerlo
收藏DataCite Commons2025-02-13 更新2025-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/79MG0H
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens heeft het plangebied in zijn algemeenheid een ligging binnen het Pleistocene rivierterrassengebied en waar voor een groot deel ook rivierduinen in de ondergrond dan wel direct vanaf het maaiveld voorkomen. Deze vormden relatief hoger gelegen delen in het landschap en waren gunstige locaties voor (tijdelijke) bewoning door jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Rivierduinruggen vormde de hoogste delen en waren waarschijnlijk meest aantrekkelijk als (tijdelijke) bewoninglocatie. Voor de meeste deelgebieden is de verwachting dan ook middelhoog tot hoog voor de aanwezigheid van archeologische resten en sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Romeinse tijd. Voor deelgebied E en een groot deel van deelgebied F is de verwachting ook hoog voor de periode Vroege-Middeleeuwen, met de verwachte ligging op de hoogste delen van het rivierduinencomplex dan waarschijnlijk niet onder water kwam te staan tijdens perioden van (zeer) hoogwater/overstromingen van de Rijn. Rivierduinafzettingen worden niet verwacht in deelgebied C en de noordelijke helft van deelgebied G. Voor deze delen van het plangebied is de verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten en sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Romeinse tijd dan ook laag. Waar rivierduinafzettingen in de ondergrond voorkomen betreft de afdekkende laag veelal komafzettingen, voornamelijk gesedimenteerd vanaf de tijd dat de Gelderse IJssel is ontstaan (de belangrijkste ontwikkeling van de IJssel zelf trad na 1000 na Chr. op). In deelgebied A, gelegen dichtbij de loop van de Gelderse IJssel, worden oeverafzettingen verwacht. Gevormde oeverwallen langs de Gelderse IJssel vormde geschiktere bewoningslocaties in vergelijking met achtergelegen komgebieden. De deelgebieden C, de noordelijke/noordoostelijke helft van deelgebied D, de noordelijke helft van deelgebied G en deelgebied G hebben voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd een lage verwachting op basis van hun paleogeografische ontwikkeling. In de directe omgeving van de meeste deelgebieden hebben tot op heden geen archeologische onderzoeken plaatsgevonden. Een aantal uitgevoerde prospectieve onderzoeken uitgevoerd op locaties met name op afstand ten noorden van deelgebied E, ten oosten van deelgebied G en ten zuiden van deelgebied H, hebben geresulteerd in het aantreffen van een verstoorde bodem dan wel dat er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Nabij deelgebied A zijn wel een fragment van een bronzen bijl uit de Bronstijd (oppervlakte-vondst door een amateurarcheoloog) en botmateriaal uit het Paleolithicum (tijdens baggerwerkzaamheden) aangetroffen. Deelgebied A bevindt zich in de directe nabijheid landgoed/huis Bingerden. Dit huis heeft in de afgelopen eeuwen vanaf de Late-Middeleeuwen een prominente rol gespeeld binnen het onderzoeksgebied. Landgoed Bingerden wordt voor het eerst vermeld in 970. Direct ten oosten van deelgebied A bevindt zich ook een gedeelte van de gracht van huis Bingerden die in 1791 is aangelegd. Voor deelgebied A is de verwachting op het voorkomen van archeologische resten en sporen uit de perioden (Late-)Middeleeuwen en Nieuwe tijd dan ook hoog. De deelgebieden F en G bevinden zich nabij de locatie van het voormalig kasteel Kell. Het voormalig kasteelterrein is tevens aangeduid als AMK terrein (circa 100 meter ten oosten van deelgebied F en vrijwel direct ten zuidwesten van deelgebied G). Op de (geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Zevenaar wordt aangegeven dat het kasteelterrein omvangrijker is geweest en heeft doorgelopen in zuidwestelijke en zuidelijke richting. Daarmee zou deelgebied F tot dit kasteelterrein hebben behoord. Door de splitsing van het grondbezit ontstaan in 1399 de huizen Oud-Kell en Kell of Groot-Kell genoemd. Op het kasteel-terrein ontstond het erf/de havezate Groot-Kell ontstaan en ten westen hiervan het erf Oud-Kell. Het uiterst zuidwestelijke deel van deelgebied F wordt gerekend tot het historisch (boeren)erf/de oude bewoningslocatie van Oud-Kell (terp/oude woongrond). Voor deelgebied F en het zuidelijke deel van deelgebied G is de verwachting op het voorkomen van archeologische resten en sporen uit de perioden (Late-)Middeleeuwen en Nieuwe tijd dan ook hoog. Wanneer een middelhoge of hoge verwachting geldt kunnen archeologische resten en sporen (indien aanwezig) in de deelgebieden A, de zuidwestelijke helft van deelgebied D, E, F en het (uiterst) zuidelijke deel van deelgebied G al worden aangetroffen in en direct onder de huidige bouwvoor. In de zuidwestelijke helft van deelgebied D worden archeologische resten en sporen (indien aanwezig) verwacht vanaf circa 1 m -mv of ondieper met mogelijk plaatselijk in en direct onder de huidige bouwvoor (waar rivierduinafzettingen dagzomen), in de noordelijke/noordoostelijke helft van deelgebied D op een diepte van 1-1,5 m -mv, in de top van de rivierduin- dan wel direct rivierterrasafzettingen. In de deelgebieden B en H worden archeologische resten en sporen (indien aanwezig) verwacht vanaf circa 1 m -mv of wellicht ondieper. Tijdens de Tweede Wereldoorlog (de oorlogsmaanden na het falen van Operatie Market Garden in september 1944) zijn in het gebied veel verdedigingsstructuren/-elementen aangelegd door de Duitse bezetter. Specifiek door het centraal-noordelijke deel van deelgebied A, het oostelijke deel van deelgebied B, het noordoostelijke deel van deelgebied D en het centrale en noordoostelijke deel van deelgebied E hebben loopgraven gelopen. Tevens hebben in de deelgebieden C en het centrale deel van deelgebied D tankgrachten gelopen. Voor deze delen van het plangebied is de verwachting dan ook hoog voor de aanwezigheid van deze gedempte elementen/structuren (als archeologisch relevant spoor), als ook van het aantreffen van losse voorwerpen/resten van militaria binnen de begrenzing van alle deelgebieden. Tevens is de kans aanwezig op het aantreffen van ontplofbare voorwerpen binnen alle deelgebieden. Losse voorwerpen/resten van militaria kunnen vooral aan het maaiveld/in de bovenste meter van de huidige bodemopbouw worden aangetroffen. Sporen van loopgraven en tankgrachten zullen tot grotere diepte doorlopen (1,5 tot 3 m -mv, wellicht tankgrachten nog wat dieper). Conclusie Het archeologisch bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Voor de meeste deelgebieden geldt op basis van de paleogeografische ontwikkeling/landschappelijke ligging een middelhoge tot hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten en sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Romeinse tijd/Vroege-Middeleeuwen. De deelgebieden A, F en het zuidelijke deel van deelgebied G hebben tevens een hoge verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, vanwege de ligging in de directe nabijheid van kasteelterreinen/landgoederen/historische (boeren)erven. Historische bebouwing heeft tevens gestaan in het zuidwestelijke deel van deelgebied F. Ook hebben door het noordelijke deel van deelgebied A, het oostelijke deel van deelgebied B, het oostelijke deel van deelgebied C, het centrale en noordoostelijke deel van deelgebied D en het centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van deelgebied E verdedigingsstructuren/-elementen (loopgraven en tankgrachten) uit de Tweede Wereldoorlog gelopen. Gepaard gaande militaire activiteiten betekent ook dat er nog een trefkans geldt voor losse resten van militaria, vondsten/restanten van OO (ontplofbare oorlogs-resten) met name in en zones langs/direct nabij deze verdedigingsstructuren/-elementen. Advies Voor de geplande bosaanplant zullen naar verwachting bodemingrepen worden uitgevoerd tot een diepte van maximaal 50 cm -mv. Daarmee worden binnen gebieden met een hoge tot middelhoge archeologische verwachting bodemingrepen uitgevoerd (net) iets dieper dan de vrijstellingsdiepte (van 40 cm -mv) conform het vigerend archeologisch beleid van de gemeente Zevenaar. Binnen gebieden met een lage archeologische verwachting zullen (net) geen bodemingrepen worden uitgevoerd dieper dan de vrijstellingsdiepte (van 50 cm -mv). Verder zullen vlakwortelaars worden geplant, wat inhoudt dat de wortels vaak niet heel diep zullen groeien (en daardoor onderliggende bodemlagen onder het beplantingsniveau niet of nauwelijks verstoren), maar wel erg breed. Dit zal naar verwachting niet of slechts in beperkte mate leiden tot aantasting van het bodemarchief. Door Econsultancy wordt dan ook geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Verder is het advies om bij eventuele toekomstige houtkap boomstronken niet (machinaal) uit de grond te trekken maar te laten wegfrezen met een stobbenfrees (waardoor geen verstoring van de bodemopbouw plaatsvind). Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Zevenaar wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Zevenaar op de hoogte te stellen.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-02-11



