Een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van grondboringen aan de Spetsesweide te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem (L.)
收藏DANS Data Station Archaeology2004-05-31 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-Z3M-HVHB
下载链接
链接失效反馈官方服务:
资源简介:
<p>In opdracht van de gemeente Gulpen-Wittem heeft Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) aan de Spetsesweide (locatie 3) te Mechelen (L.) een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van grondboringen uitgevoerd. De aanleiding voor dit onderzoek zijn de plannen van de gemeente om op deze locatie een brandweerkazerne te bouwen. Uit een eerder uitgevoerd verkennend booronderzoek (Huis in ’t Veld 2003) is gebleken dat op de betreffende locatie mogelijk een archeologische vindplaats ligt. Omdat de exacte omvang van de vindplaats tijdens het verkennende booronderzoek niet kon worden vastgesteld en de ondergrond niet over de gehele locatie verstoord zal worden, is in overleg met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), in de persoon van dr. E. Rensink, besloten om in het onderzoeksgebied aanvullende boringen te plaatsen om het terrein beter te kunnen waarderen. Het veldwerk heeft op 30 maart 2004 plaatsgevonden en is uitgevoerd door drs. J.Y. Huis in ’t Veld en M. Wiersma.</p><p>Conclusie<br>Op grond van de resultaten van het waarderende booronderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Het is allereerst niet uit te sluiten dat enkele grindjes vanuit de opgebrachte grindlaag naar beneden zijn getransporteerd tot in de natuurlijke löss, en dus een recente verstoring vormen. Echter, in boringen 20 en 27, die buiten het verharde terrein zijn geplaatst, en waar zich geen siltige grindlaag boven het natuurlijke löss bevindt, zijn in de monsters eveneens grindjes en plantenresten aangetroffen. Het grind in de boorkernen kan dus niet worden verklaard als een recente verstoring. Löss is een eolisch, oftewel door de wind afgezet, sediment. Het in de boorkernen en monsters aangetroffen grind is te zwaar om door de wind te zijn afgezet en het moet daarom op een andere manier zijn aangevoerd. De verklaring hiervoor moet mogelijk worden gezocht in een verspoeling van löss en de top van de daaronder gelegen bedrock, een zogenaamd colluvium. Hierbij wordt hoger gelegen löss, samen met andere sedimenten, onder invloed van zwaartekracht en water verplaatst naar een lager gelegen plek. De mate van afronding van het in de monsters aangetroffen grind lijkt hiermee in samenspraak. De donkergrijze sterk siltige klei die in een drietal boringen is waargenomen is vrijwel zeker een fluviatiele (door water gevormde) afzetting. Mogelijk staat deze afzetting in verband met het verspoelen van de löss en het grind. Dit is echter niet met zekerheid te zeggen, daar de huidige omgeving vrijwel geen reli¨ef bevat. Zeer waarschijnlijk was het omringende gebied in het verleden sterker geaccidenteerd, en is na afspoeling van het löss als het ware geëgaliseerd. De vuurstenen afslag die tijdens het verkennende booronderzoek (Huis in ’t Veld 2003) in een boring is gevonden en de vermoedelijk Romeinse scherf bevonden zich beide in de mogelijk colluviaal gevormde lösslaag. Het is aannemelijk dat de afslag en de scherf afkomstig zijn van hoger gelegen vindplaatsen en dat ze naar beneden zijn verplaatst. Mogelijk is de onderzoekslocatie geen onverstoorde archeologische vindplaats, maar een verspoelde colluviaal gevormde lösslaag. Helemaal zeker is dit echter niet. Een andere mogelijkheid is dat het löss met het grind is afgezet door de rivier de Geul, die in het Geuldal westelijk van het onderzoeksgebied stroomt. In dat geval hebben we te maken met een oud oeversediment. De Geul stroomt nu tientallen meters lager dan het onderzoeksgebied, maar zal zich in de loop van de tijd door erosie steeds verder hebben ingesneden.</p>
创建时间:
2004-06-01



