five

Vier eeuwen werken en wonen aan de Oudeschans 15 (AAR 156)

收藏
DataCite Commons2026-04-17 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/HSRF4U
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>In de periode 17 januari - 3 maart 2023 heeft het archeologisch team van MenA in opdracht van Bonne Reijn een opgraving, variant archeologische begeleiding uitgevoerd in plangebied Oudeschans 15 te Amsterdam. Dit onderzoek was nodig in verband met het uitvoeren van een funderingsherstel en de aanleg van een kelder. Voor de planlocatie is in een eerdere fase door de gemeente Amsterdam een archeologische waardestelling opgesteld.</p><p> Hieruit bleek dat het bouwterrein een hoge archeologische (verwachtings)waarde heeft. Omdat de bouwwerkzaamheden zullen leiden tot aantasting van deze archeologische waarden, heeft het college van B&W als voorwaarde voor de bouw (‘selectiebesluit’) gesteld dat een opgraving, variant archeologische begeleiding wordt uitgevoerd. In een PvE2 zijn de eisen aan het onderzoek vastgelegd. </p><p> Het onderzoek had tot doel om de door de civieltechnische bodemingrepen bedreigde archeologische waarden zo volledig mogelijk te documenteren en bergen (behoud ex situ). De vindplaats heeft informatie opgeleverd over de ingebruikname van de locatie als werkeiland (16de eeuw), de ontwikkeling naar een scheepstimmerwerf en pakhuis tot aan woonhuis in de 19de en 20ste eeuw. </p><p> De specifieke vraagstellingen van het veldonderzoek zoals vastgelegd in het PvE (zie hoofdstuk 1) richten zich op de aard en wijze van ophoging, constructie en gebruik van de scheepswerf, fasering en datering van de scheepswerfresten en latere steenbouwresten, de materiële cultuur van de gebruikers en bewoners en inzichten in hun sociaal-culturele achtergrond, handelscontacten en bestaanseconomie. </p><p> Tijdens het onderzoek zijn sporen en structuren aangetroffen bestaande uit ophogingslagen, houten werkvloeronderdelen, vloeren, muurfunderingen, een waterput, een rioolput en een waterkelder die als beerkelder is hergebruikt. Deze sporen behoren toe aan zes verschillende gebruiksfasen. </p><p> Uit de eerste fase (1592 - 1593) is een ophogingslaag aangetroffen die geïnterpreteerd is als de ophoging in het kader van de aanleg van het werkeiland Uilenburg. Uit vergelijking met onderzoeken in de directe omgeving werd geconcludeerd dat de laatste ophoging vóór de uitgifte van de nieuwe kavels op Uilenburg in 1593 vrij uniform van aard was met wat kleine schommelingen in hoogte (op het achtererf tussen NAP -1,5 en -1,8 m). </p><p> In de tweede fase (1593 - 1595) is een houtsnipperlaag opgebracht in de top waarvan een planken werkvloer is aangelegd. Hiervan is slechts een plank aangetroffen. De houtsnipperlaag bestond uit afslagen van eik, die met een bijl zijn afgekapt. </p><p> In de derde fase (1595 - 1605) is hierop, na het gedeeltelijk ophogen van het perceel in het zuidoosten, een werkvloer aangelegd bestaande uit ietwat slordig gelegde eikenhouten planken, waarschijnlijk geïmporteerd uit Duitsland, waartussen ook scheepshout aanwezig was. </p><p> Fase 4 (1605- 1617) betreft de ophoging met een tweede houtsnipperlaag. In tegenstelling tot de oudere houtsnipperlaag bestaat deze laag uit snippers van dennenhout die vrijgekomen zijn bij het kappen met een bijl van stammen of palen, bijwerken van balken en planken en ook het schaven of bewerken met een trekmes. Direct op deze houtsnipperlaag is een houten vloer aangetroffen bestaande uit vrij lange, regelmatig gelegde planken op balken. Het gaat om 5 planken van grove den en fijnspar met een dendrochronologische datering vanaf 1613. Het hout is geïmporteerd uit Noorwegen. Niet alleen verschilt deze vloer (fase 4) van de vorige (fase 3) in houtsoort, houtoorsprong en constructiewijze, ook ligt deze jongere vloer nagenoeg waterpas, terwijl de oudere vloer richting het water afhelt. Hiertoe is het perceel lokaal opgehoogd met afval en veen met kleibrokken in het noordwesten. De keramiekfragmenten die uit dit vloerniveau verzameld zijn, geven een beeld van gebruik van de locatie dat in die zin afwijkt van de eerdere gebruiksfasen, dat hier ook voorwerpen voorkomen die meer in een huiselijke sfeer thuishoren. Concluderend kan worden opgemerkt dat sprake is van een zekere verschuiving in het gebruik van de locatie. Er is geëgaliseerd en de vloer helt niet meer af richting het water. Er is een andere houtsoort gebruikt en de vloer is netter aangelegd. De aangetroffen vondsten wijzen meer in de richting van bewoning (vlakbij) dan van scheepsindustrie. Op historische kaarten is te zien dat de betreffende werf als houtopslag in gebruik is totdat deze in 1617 wordt opgedeeld in kleinere percelen ten behoeve van bewoning. </p><p> Gedurende fase 5 (1617 - ca. 1650) is het perceel weer opgehoogd met een humeuze zandlaag met puinfragmenten in het kader van het bouwrijp maken van het perceel voor (pak)huisbouw. De bebouwing echter, heeft iets langer op zich laten wachten, terwijl de aangrenzende percelen wel al bebouwd werden. Sporen uit deze fase zijn schaars en zwaar verstoord door de latere bouwfasen. Het gaat om resten van een kleine waterkelder, de bodem van een tonput en een fundering van een vrij lichte muur in de lengte van het perceel die mogelijk een tuinmuur/perceelsmuur betreft. Het gaat dan ook om sporen vóór de aanleg van het eerste huis op dit perceel, terwijl er al wel bebouwing stond aan weerszijden. Uit deze fase zijn dan ook weinig vondsten aanwezig. Uit fase 6 (1650 - 1900) stammen funderingsresten van het eerste pakhuis (alleen in het noordwesten) en perceelsmuren. Op het toen nog onbebouwde achtererf lag een waterput. Deze is later (na 1675) ingebouwd in een uitbouw, waarvan ook de funderingen zijn aangetroffen. Waarschijnlijk is toen ook een waterkelder aangelegd onder het voorhuis, dat op dat moment eerder een pakhuis moet zijn geweest dan een woonhuis. In ieder geval was in 1832 nog sprake van een pakhuis (OAT’s),3 maar tegen die tijd was de waterkelder in gebruik genomen als een beerkelder, die aangesloten was op een toen ook aangelegd privaat op het achtererf. Uit de vulling van de beerkelder is een botanisch monster onderzocht dat veel informatie heeft opgeleverd over het voedselpatroon en ander gebruik van planten door de bewoners in deze jongste gebruiksfase (eind 18de - begin 20ste eeuw). De kelder is als beerkelder in gebruik geweest tot na de verbouwing tot woonhuis in 1864. Het botanisch onderzoek wees uit dat de beer rijk was aan macro- en pollenresten van granen en een pseudograan, vele resten van kruiden en specerijen, waaronder exotische soorten als Spaanse peper en steranijs, verscheidene zaden en pollen van groenten en peulvruchten (o.a. koolzaad / kool, postelein, spinazie, veldsla e.d.). Noemenswaardig is de aanwezigheid van resten van komkommer en pinda, die zelden worden aangetroffen in archeologische context. Ook het fruit is sterk vertegenwoordigd met naast de gebruikelijke peer, appel, pruim, kers e.d. ook resten van minder vaak voorkomende soorten als meloen, citrus en olijf. Naast voedselplanten zijn ook soorten aanwezig van gebruiksplanten als vlas, hop, hokjespeul e.d. die geassocieerd worden met medicinaal gebruik. Resten van sierplanten zijn vertegenwoordigd met palmboompje, druifhyacint en grote Oost-Indische kers. Gezien het feit dat soorten zoals komkommer en rijst wijdverbreid in 3 OAT’s = Tabellen (zgn. Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels) bij de kadasterkaarten uit de eerste helft van de 19de eeuw met perceelsgerelateerde informatie 6 Amsterdamse beerputten worden aangetroffen, lijkt het erop dat deze soorten niet wijzen op luxere eetgewoontes. Toch zijn er enkele soorten in de beerput aanwezig die ook voor Amsterdamse begrippen zeldzaam of zelfs uniek zijn. Daarbij gaat het om Spaanse peper, pinda en steranijs. Dat ook in de late 19de eeuw deze soorten op luxere eetgewoonten duiden, is echter niet zeker.</p>
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2026-04-14
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务