five

Bureauonderzoek 10 kV tracé Epe e.o. fase 1 (gemeente Epe)

收藏
DataCite Commons2025-10-27 更新2026-04-25 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/AR/UTHRCH
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
In april 2024, en met een actualisatie in juli 2024 vanwege een tracéwijziging, is in opdracht van Liander N.V. door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, om een archeologische verwachting op te stellen voor een tracé tussen Epe en Vaassen (gemeente Epe). Het tracé heeft een lengte van 8.530 meter en volgt meerdere grotere wegen ten oosten tussen deze twee dorpen (Kanaalstraat, Rozenkampweg, Blaakweg, Ravenstraat, Wiemanstraat, Viskweekweg, Zwarteweg) en eindigt net ten noorden van Eekterveld. Circa 3.530 meter van het tracé wordt uitgevoerd door middel van gestuurde boringen. De overige 5 kilometer wordt uitgevoerd door middel van een open ontgraving. De open ontgravingen bestaan uit sleuven met een breedte van 0,5 meter op diepste punt (de sleuven worden onder een talud gegraven) en een breedte van maximaal 1,4 meter aan het maaiveld. De sleuven worden verder tot een diepte van maximaal 1,4 meter beneden maaiveld gegraven. Bij de wegbermen zal de diepte circa 0,8 meter beneden maaiveld bedragen. In totaal zal het oppervlak aan open ontgraving circa 2.500 m2 bedragen. Het tracé valt binnen verschillende vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Epe, die weer onderdeel vormen van het omgevingsplan. Binnen deze bestemmingsplannen ligt het tracé in verschillende dubbelbestemmingen met de waarde archeologie. De geplande werkzaamheden overschrijden de opgestelde vrijstellingsgrenzen en een omgevingsvergunning is dan ook aan de orde. Tevens dient er nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Om deze reden, en ook om een specifieke archeologische verwachting op te stellen voor het plangebied, is dit bureauonderzoek uitgevoerd. Landschappelijk gezien ligt het plangebied op een overgang van een stuwwallandschap (in het westen) naar het IJsseldallandschap (in het oosten). Dat houdt in dat het hoger gelegen deel in het westen, de flank van de stuwwal, een zeer geschikte locatie was voor bewoning in de prehistorie (met name de steentijd). Buiten het onderzoeksgebied zijn wel veel vuursteenvindplaatsen aanwezig, maar binnen het onderzoeksgebied zijn er weinig indicatoren voor dergelijke vindplaatsen. Wel kan er op basis van landschappelijke gegevens voor delen van het plangebied een hoge archeologische verwachting voor resten uit deze periode worden opgesteld. In de omgeving van het plangebied geldt een lange bewoningsgeschiedenis, maar het plangebied zelf kent lange tijd een agrarisch karakter. Pas in late middeleeuwen begon men meer invloed te krijgen op het landschap (bedijkingen) en wordt het plangebied in gebruik genomen als weidegronden. In de omgeving ontstaan er dorpsenken, maar het plangebied doorsnijdt dan alsnog voornamelijk akkers en weilanden. Slechts op zeer kleine plekken doorsnijdt het plangebied enkeerdgronden, waar mogelijk nog een esdek aanwezig is. Binnen het plangebied worden er dan ook voornamelijk resten van agrarische activiteiten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht. Het plangebied kent dus voornamelijk een agrarisch karakter, en mogelijk kunnen landbouwactiviteiten in het verleden al voor een bodemverstoring gezorgd. Verder ligt het plangebied nabij een snelweg (de A50) en zijn er meerdere bestaande kabels en/of leidingen aanwezig. Aan de hand van een KLIC‐oriëntatieverzoek is de schatting dat er mogelijk in het gehele plangebied al bestaande kabels en leidingen aanwezig zijn. Hier is de bodem mogelijk al verstoord, maar dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Voor kleine delen van het tracé geldt dat de kans bestaat dat buiten een bestaand kabelbed wordt gewerkt, en dat hier dus mogelijk een intacte bodem aanwezig is. Gemiddeld is de bouwvoor binnen het gehele plangebied 0,3 tot 0,5 meter dik, indien de bodem nog intact is, kunnen direct hieronder archeologische resten aanwezig zijn. Advies Antea Group Aan de hand van bekende archeologische gegevens, landschappelijke kenmerken en een indicatie van de mate van bodemverstoring wordt duidelijk dat er binnen het plangebied verschillende archeologische verwachtingen gelden. Ook ligt een deel van het tracé wel in (meerdere) dubbelbestemmingen archeologie, en een deel van het tracé valt daarbuiten. Op basis van alle bekende gegevens, en naar aanleiding van het eerste selectiebesluit van het bevoegd gezag, is het volgende advies opgesteld. Advies booronderzoek Omdat de mate van bodemverstoring in het gehele plangebied niet exact bekend is, adviseert Antea Group om een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase met mogelijkheid tot een doorstart naar karterende fase, uit te voeren. Dit geldt in eerste instantie alleen voor de delen die door middel van een open ontgraving worden uitgevoerd in een gebied met dubbelbestemming Waarde Archeologie (totale lengte 2.557 meter van het gehele tracé), zie Afbeelding 20 en bijlage 0492815‐05. Bij dit verkennend booronderzoek worden de boringen om de 40 meter gezet.1 Met een tracélengte van 2.557 meter komt dit in totaal neer op circa 64 boringen. Indien uit het archeologisch booronderzoek blijkt dat de niveaus niet intact zijn dan kan vrijgave voor het plangebied volgen. Mocht blijken dat dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, dan kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn op die locaties waar deze niveaus bereikt worden. In overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag kan dan worden gekeken naar de meest praktische vorm van vervolgonderzoek. Het is daarnaast mogelijk dat op basis van bovenstaand verkennend booronderzoek blijkt dat er binnen de delen van het tracé met open ontgraving maar zonder dubbelbestemming archeologie (circa 2.500 m) nog een kans is om een intacte bodem en eventuele archeologische resten aan te treffen. Indien dat het geval is, volgt het advies om voor die delen alsnog een onderzoek in de vorm van verkennende boringen uit te voeren (in een tweede fase). Dit dient vooraf afgestemd te worden met bevoegd gezag. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033‐4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Revisiebeheer De huidige revisie (revisie 03) is de definitie versie van dit rapport en is aan de opdrachtgever voorgelegd en opnieuw voorgelegd aan de bevoegde overheid of haar adviseur.
提供机构:
DANS Data Station Archaeology
创建时间:
2025-10-22
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务