five

Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Beneden Oostdijk 64 te Oud Beijerland

收藏
DANS Data Station Archaeology2015-10-12 更新2026-04-09 收录
下载链接:
https://archaeology.datastations.nl/citation?persistentId=doi:10.17026/DANS-ZBK-NNWN
下载链接
链接失效反馈
官方服务:
资源简介:
<p>Op 3 juli 2014 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Beneden Oostdijk 64 te Oud Beijerland. Het doel van het booronderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde specifieke verwachting te toetsen. Aan de hand van deze gegevens kunnen vervolgens adviezen over de aanwezige archeologische resten, of vervolgtraject worden opgesteld.</p><p>Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat de jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap hebben gekozen, bij voorkeur in de buurt van open water. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst, nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit, wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt.<br>Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een vlakte van getijafzettingen. De meandergordel van de Binnenmaas bevindt zich naar verwachting in de ondergrond van het plangebied. Het plangebied was in deze periode onderdeel van een kreken- en geulensysteem. Er bevinden zich beddingafzettingen van deze rivier of getijdegeul in de ondergrond. Vanaf het laat-neolithicum (3.000 v.Chr.) was de geul actief en heeft zich ingesneden tot in de pleistocene ondergrond. Tot aan de bedijkingen omstreeks 1100 n. Chr. stond het gebied vaak onder invloed van overstromingen en werden mariene afzettingen over het veen afgezet. Doordat de actieve geul zich tot in de pleistocene ondergrond heeft ingesneden, zijn eventueel aanwezige archeologische resten tot en met het midden-neolithicum geërodeerd. Op basis daarvan geldt een lage archeologische verwachting voor resten uit de periode laat-paleolithicum tot en met het middenneolithicum.</p><p>Vanaf het neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode stapt men geleidelijk over naar landbouw en veeteelt en worden jagen en verzamelen steeds minder belangrijk. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Voor de watervoorziening worden waterputten gegraven en in en nabij de nederzetting worden afvalkuilen gegraven. In de periode vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. <br>Indien de aanwezige getijdegeul nog actief was, was ter plaatse geen bewoning mogelijk. Indien het plangebied onderdeel uitmaakte van deze lager gelegen geul, dan zijn archeologische resten verdwenen (geërodeerd) doordat de Binnenmaas deze oudere resten heeft opgeruimd in latere fasen. De hoger gelegen oevers van de Binnenmaas Meandergordel waren wel aantrekkelijke bewoningslocaties. Mocht het plangebied op de hoger gelegen oeverwallen liggen, dan geldt een hoge verwachting voor resten uit de periode laat-neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.</p><p>Het bewoningspatroon verandert geleidelijk vanaf de late middeleeuwen. In deze periode is een hoge ligging van het gebied niet meer bepalend voor het bewoningspatroon. Vanaf de late middeleeuwen concentreert de bewoning zich in dorpen, steden en bewoningsclusters.<br>Gedurende de late middeleeuwen was het plangebied onderdeel van een getijdenvlakte met rivieren en kreken die onder invloed van de zee stond. In het latere kweldergebied is theoretisch bewoning mogelijk en kunnen landbouw activiteiten hebben plaatsgevonden direct bij de oevers van de waterlopen, omwille van de aanwezige vruchtbare gronden. Nadat het gebied werd bedijkt werd het ook systematisch ontgonnen en ontstonden bewoningsconcentraties in de nederzettingskernen en aan de dijken die als ontginningsassen fungeerden. Op de oudst bestudeerde kaart (1565) is te zien dat het plangebied direct ten zuiden van de huidige Beneden Oostdijk ligt. Vanaf eind 19e eeuw maakte het plangebied onderdeel uit van een erf, maar is het verder altijd onbebouwd gebleven en als bouwland of weiland in gebruik geweest. Voor zowel de periode late middeleeuwen (tot aan de bedijking) als voor de nieuwe tijd (vanaf de bedijking) geldt daarom een lage verwachting.</p><p>Op basis van het uitgevoerde verkennend onderzoek kan worden gesteld dat het plangebied vergraven is. Eventuele resten zullen in het verleden reeds zijn verwijderd. In de verdere ondergrond resten alleen afzettingen uit de stroomgeul van de Binnenmaas of een aftakking hiervan. Derhalve wordt geadviseerd dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.</p>
提供机构:
Aeres Milieu B.V.
创建时间:
2015-10-13
二维码
社区交流群
二维码
科研交流群
商业服务